Hoofdstuk 4 – kennistheorie
Paragraaf 1 – wat we weten (en wat niet)
Begrippen(paren)
Er zijn drie belangrijke hoofdvragen in de kennistheorie (epistemologie):
1. de vraag naar de zeker- of betrouwbaarheid van kennis;
2. de vraag hoe we aan onze kennis komen;
mogelijke bronnen van kennis: zintuigen, ervaringen, geheugen, intuïtie en
denkvermogen.
3. de vraag naar de grenzen van onze kennis.
Er zijn drie hoofdstromingen binnen de kennistheorie:
1. scepticisme: stelt dat ware kennis (principieel) onmogelijk is;
geen enkele bron is betrouwbaar.
eenzaam in eigen leefwereld, weet nooit of de ander hetzelfde ziet of
ervaart als hij, deze houding zet alles vast in discussies.
2. empirisme: stelt dat kennis tot stand komt door ervaringen;
via zintuigelijke waarneming.
3. rationalisme: stelt dat kennis tot stand komt door het denkvermogen.
niet via zintuigelijke waarneming;
kennis is aangeboren, niet aangeleerd.
Objectief en subjectief:
1. objectieve kennis: datgene wat over het object (voorwerp van kennis) gaat;
de norm van objectiviteit wordt vaak vervangen door die van
intersubjectiviteit: kennis die door een grote groep gemeenschappelijk als
geldig wordt beschouwd.
2. subjectieve kennis: datgene wat door het oordeel van het subject (degene die iets
kent) bepaald wordt.
Universeel en particulier:
1. universeel: geldig voor iedereen;
2. particulier: heeft slechts betrekking op één concreet geval.
Schijn en werkelijkheid:
1. schijn: een illusie of fantasie;
meestal negatief: aan iets of iemand wordt ten onrechte eigenschappen
toegekend, die onjuist zijn.
2. werkelijkheid: de wereld waarin we leven; datgene wat echt zo is en echt bestaat.
verwant aan de begrippen realiteit en bestaan.
Kennis en kunde:
, Hoofdstuk 4 – kennistheorie
1. kennis: iets of iemand kennen;
propositionele kennis: kennis van hoe iets zit of het weten dat iets het geval is
(propositie: de inhoud van een uitspraak).
2. kunde: praktische kennis.
Feit en fictie:
1. feit: een gebeurtenis of omstandigheid waarvan de werkelijkheid vaststaat;
het kan zintuiglijk waargenomen of instrumenteel gemeten worden.
2. fictie: berust niet op de werkelijkheid maar op onze verbeelding.
Kennis en geloof:
1. kennis:
menen: een beargumenteerd standpunt innemen met betrekking tot een
bepaalde zaak.
we vormen onze mening door een maat toe te passen; die maat kan
subjectief zijn, intersubjectief of objectief.
weten: terecht een waarheid aanvaarden; ook hier wordt een maat
toegepast.
2. geloof: voor lief nemen, vertrouwen op, zich overgeven aan.
in de Middeleeuwen gaat geloof vóór kennis: ‘credo ut intelligam’ (ik geloof
zodat ik het kan begrijpen).
Geldig en waar:
1. geldig: als de structuur van iets klopt;
2. waar: als de inhoud van iets klopt.
Paragraaf 2 – rationalisme en empirisme
Paragraaf 1 – wat we weten (en wat niet)
Begrippen(paren)
Er zijn drie belangrijke hoofdvragen in de kennistheorie (epistemologie):
1. de vraag naar de zeker- of betrouwbaarheid van kennis;
2. de vraag hoe we aan onze kennis komen;
mogelijke bronnen van kennis: zintuigen, ervaringen, geheugen, intuïtie en
denkvermogen.
3. de vraag naar de grenzen van onze kennis.
Er zijn drie hoofdstromingen binnen de kennistheorie:
1. scepticisme: stelt dat ware kennis (principieel) onmogelijk is;
geen enkele bron is betrouwbaar.
eenzaam in eigen leefwereld, weet nooit of de ander hetzelfde ziet of
ervaart als hij, deze houding zet alles vast in discussies.
2. empirisme: stelt dat kennis tot stand komt door ervaringen;
via zintuigelijke waarneming.
3. rationalisme: stelt dat kennis tot stand komt door het denkvermogen.
niet via zintuigelijke waarneming;
kennis is aangeboren, niet aangeleerd.
Objectief en subjectief:
1. objectieve kennis: datgene wat over het object (voorwerp van kennis) gaat;
de norm van objectiviteit wordt vaak vervangen door die van
intersubjectiviteit: kennis die door een grote groep gemeenschappelijk als
geldig wordt beschouwd.
2. subjectieve kennis: datgene wat door het oordeel van het subject (degene die iets
kent) bepaald wordt.
Universeel en particulier:
1. universeel: geldig voor iedereen;
2. particulier: heeft slechts betrekking op één concreet geval.
Schijn en werkelijkheid:
1. schijn: een illusie of fantasie;
meestal negatief: aan iets of iemand wordt ten onrechte eigenschappen
toegekend, die onjuist zijn.
2. werkelijkheid: de wereld waarin we leven; datgene wat echt zo is en echt bestaat.
verwant aan de begrippen realiteit en bestaan.
Kennis en kunde:
, Hoofdstuk 4 – kennistheorie
1. kennis: iets of iemand kennen;
propositionele kennis: kennis van hoe iets zit of het weten dat iets het geval is
(propositie: de inhoud van een uitspraak).
2. kunde: praktische kennis.
Feit en fictie:
1. feit: een gebeurtenis of omstandigheid waarvan de werkelijkheid vaststaat;
het kan zintuiglijk waargenomen of instrumenteel gemeten worden.
2. fictie: berust niet op de werkelijkheid maar op onze verbeelding.
Kennis en geloof:
1. kennis:
menen: een beargumenteerd standpunt innemen met betrekking tot een
bepaalde zaak.
we vormen onze mening door een maat toe te passen; die maat kan
subjectief zijn, intersubjectief of objectief.
weten: terecht een waarheid aanvaarden; ook hier wordt een maat
toegepast.
2. geloof: voor lief nemen, vertrouwen op, zich overgeven aan.
in de Middeleeuwen gaat geloof vóór kennis: ‘credo ut intelligam’ (ik geloof
zodat ik het kan begrijpen).
Geldig en waar:
1. geldig: als de structuur van iets klopt;
2. waar: als de inhoud van iets klopt.
Paragraaf 2 – rationalisme en empirisme