bewegingsapparaat
H10: elleboog
Risicofactoren
(werk)stress
Herhaalde (zware) belasting van extensoren/flexoren van de pols
Lage werktevredenheid en controle
Depressie
Hogere leeftijd
Overgewicht
Zwaar lichamelijk werk
10.2 diagnostisch proces
Anamnese
Prognostische factoren
Hoge pijnintensiteit
Langere duur van de elleboogklachten
Bijkomende nek- of schouderklachten
Eerder doorgemaakte episodes met elleboogklachten
Werk gerelateerde factoren
De prognose van algemene elleboogklachten is niet gunstig; ongeveer een derde is hersteld na 12
maanden.
De prognose van patiënten met epicondylitis lateralis is niet zo gunstig; meer dan 50 % is niet
hersteld na 12 maanden.
Kenmerkend voor een epicondylitis is dat er lokale pijn wordt aangegeven aan de distale zijde van de
epicondyl (mediaal of lateraal) die verergert bij palpatie, grijpen en herhaalde bewegingen
Ook patiënten met een zenuwcompressie geven deze klachten. En een pijnklacht is 3 à 4 centimeter
dorsaal van de epicondylen die verergert bij pro- en supinatiebewegingen. Patiënten met een ulnaire
zenuwcompressie melden ook vaak een tinteling van de ulnaire zijde van de onderarm.
Kenmerkende klacht van een biceps tendinopathie is een vage pijnklacht aan de voorkant van de
elleboog; bij een tricepstendinopatie zit de pijn aan de proximale zijde van het olecranon.
Lichamelijk onderzoek
Over het algemeen kan het fysiotherapeutisch lichamelijk onderzoek bestaan uit
inspectie;
palpatie;
het meten van de bewegingsomvang van de elleboog (range of motion (ROM));
spierkracht- en weerstandstests;
het testen van reflexen en sensibiliteit.
Het doel van het lichamelijk onderzoek is om de specifieke pijnklacht op te roepen en daarmee de
diagnose te bevestigen of ontkrachten
Specifieke tests
Bicepspeesruptuur
Hook-test