Argumentatieve vaardigheden
Standpunten (p. 183)
Standpunt/stelling aannemen = mening
● Iets wat jij vindt
● Signaalwoorden: ik vind, volgens mij, ik denk dat, daarom, kortom…
3 Soorten standpunten:
1. Positief: Ik (wel) vind dat….
2. Negatief: Ik vind niet dat…
3. Twijfel: Ik weet nog niet of…..
Ik twijfel nog of……..
Argument = uitspraak waarmee je een standpunt verdedigt of aanvalt.
Argumenten voor het standpunt: ik vind dit, want…
Argumenten tegen het standpunt: ik vind dit niet, want…
Argumenten kunnen voor of achter het standpunt staan.
Let dus op signaalwoorden: want, omdat, aangezien, immers, namelijk, daarom, op grond
van, om die reden…
Voorbeelden:
● Heroïne verkopen mag niet meer strafbaar zijn.
= negatief standpunt
● Ik ben het hiermee eens, want je kan er veel geld aan verdienen.
= argument voor
● Het is slecht voor de gezondheid van gebruikers. Om die reden ben ik het hier niet
mee eens.
= argument tegen
Argumentatieve vaardigheden
,Soorten argumenten ( p.185)
Feitelijke/objectieve argumenten: gebaseerd op waarheden/feiten,
je kunt het aantonen/controleren.
- Ik vind voetbalwedstrijden te lang duren, want de speeltijd bedraagt 90 minuten.
Niet-feitelijke/subjectieve argumenten: gebaseerd op meningen.
- Ik vind voetbalwedstrijden niet interessant om te kijken, want de spelers zijn allemaal
lelijkerds.
Argumentatie op basis van…
● Feiten
● Onderzoek of wetenschap
● Normen en waarden
● Vermoedens
● Geloof of overtuiging
● Gezag of autoriteit
● Nut
Uitleg:
● Feiten
= Controleerbaar, waar of onwaar.
● Onderzoek of wetenschap
= Resultaten en bronnen van wetenschappelijk onderzoek.
● Normen en waarden
= Hierover bestaat geen verschil van mening.
● Vermoedens
= Vermoeden dat voortkomt uit intuïtie of gevoel.
Argumentatieve vaardigheden
, Redeneringen ( p.191)
Redenering op basis van:
● Oorzaak en gevolg
● Overeenkomst
● Voorbeelden
● Voor- en nadelen
● Kenmerk of eigenschap
Uitleg:
● Oorzaak en gevolg
= Het leidt tot het ander.
→ ´Voor Jan is huiswerk maken nu even niet belangrijk, want zijn vader ligt op
sterven´
● Overeenkomst
= In twee situaties is sprake van hetzelfde.
→ “De prijzen voor kaartjes van voetbalwedstrijden zijn dit jaar bijna niet
gestegen. Ik
verwacht dan ook niet dat de tickets voor theatervoorstellingen duurder zullen worden. Dat
gebeurde de afgelopen jaren immers ook niet.”
● Voorbeelden
= Voorbeelden noemen als argument.
→ “Als je griep hebt, moet je daar eerst zelf wat aan proberen te doen voordat je
de dokter
raadpleegt (standpunt). Zo voel ik me al een stuk beter als ik een paar paracetamols neem.
(argument= voorbeeld).”
● Voor- en nadelen
= Voordelen vergelijken met nadelen.
→ “Leerlingen op het vwo moeten in vijf in plaats van zes jaar hun opleiding
kunnen
afmaken. (standpunt). Je kunt eerder aan een vervolgstudie beginnen en je zit je minder te
vervelen. (argumenten = voordelen). Je raakt dan misschien wel wat contacten met
leeftijdsgenoten kwijt (argument = nadeel).”
● Kenmerk of eigenschap
= Kenmerken noemen waarin een element uit je standpunt aan voldoet.
→ “Je moet handschoenen gebruiken als je een anti- kalk middel gebruikt bij het
schoonmaken (standpunt). Deze middelen zijn slecht voor je nagels. Ze kunnen er
zelfs door oplossen (eigenschap).”
Standpunten (p. 183)
Standpunt/stelling aannemen = mening
● Iets wat jij vindt
● Signaalwoorden: ik vind, volgens mij, ik denk dat, daarom, kortom…
3 Soorten standpunten:
1. Positief: Ik (wel) vind dat….
2. Negatief: Ik vind niet dat…
3. Twijfel: Ik weet nog niet of…..
Ik twijfel nog of……..
Argument = uitspraak waarmee je een standpunt verdedigt of aanvalt.
Argumenten voor het standpunt: ik vind dit, want…
Argumenten tegen het standpunt: ik vind dit niet, want…
Argumenten kunnen voor of achter het standpunt staan.
Let dus op signaalwoorden: want, omdat, aangezien, immers, namelijk, daarom, op grond
van, om die reden…
Voorbeelden:
● Heroïne verkopen mag niet meer strafbaar zijn.
= negatief standpunt
● Ik ben het hiermee eens, want je kan er veel geld aan verdienen.
= argument voor
● Het is slecht voor de gezondheid van gebruikers. Om die reden ben ik het hier niet
mee eens.
= argument tegen
Argumentatieve vaardigheden
,Soorten argumenten ( p.185)
Feitelijke/objectieve argumenten: gebaseerd op waarheden/feiten,
je kunt het aantonen/controleren.
- Ik vind voetbalwedstrijden te lang duren, want de speeltijd bedraagt 90 minuten.
Niet-feitelijke/subjectieve argumenten: gebaseerd op meningen.
- Ik vind voetbalwedstrijden niet interessant om te kijken, want de spelers zijn allemaal
lelijkerds.
Argumentatie op basis van…
● Feiten
● Onderzoek of wetenschap
● Normen en waarden
● Vermoedens
● Geloof of overtuiging
● Gezag of autoriteit
● Nut
Uitleg:
● Feiten
= Controleerbaar, waar of onwaar.
● Onderzoek of wetenschap
= Resultaten en bronnen van wetenschappelijk onderzoek.
● Normen en waarden
= Hierover bestaat geen verschil van mening.
● Vermoedens
= Vermoeden dat voortkomt uit intuïtie of gevoel.
Argumentatieve vaardigheden
, Redeneringen ( p.191)
Redenering op basis van:
● Oorzaak en gevolg
● Overeenkomst
● Voorbeelden
● Voor- en nadelen
● Kenmerk of eigenschap
Uitleg:
● Oorzaak en gevolg
= Het leidt tot het ander.
→ ´Voor Jan is huiswerk maken nu even niet belangrijk, want zijn vader ligt op
sterven´
● Overeenkomst
= In twee situaties is sprake van hetzelfde.
→ “De prijzen voor kaartjes van voetbalwedstrijden zijn dit jaar bijna niet
gestegen. Ik
verwacht dan ook niet dat de tickets voor theatervoorstellingen duurder zullen worden. Dat
gebeurde de afgelopen jaren immers ook niet.”
● Voorbeelden
= Voorbeelden noemen als argument.
→ “Als je griep hebt, moet je daar eerst zelf wat aan proberen te doen voordat je
de dokter
raadpleegt (standpunt). Zo voel ik me al een stuk beter als ik een paar paracetamols neem.
(argument= voorbeeld).”
● Voor- en nadelen
= Voordelen vergelijken met nadelen.
→ “Leerlingen op het vwo moeten in vijf in plaats van zes jaar hun opleiding
kunnen
afmaken. (standpunt). Je kunt eerder aan een vervolgstudie beginnen en je zit je minder te
vervelen. (argumenten = voordelen). Je raakt dan misschien wel wat contacten met
leeftijdsgenoten kwijt (argument = nadeel).”
● Kenmerk of eigenschap
= Kenmerken noemen waarin een element uit je standpunt aan voldoet.
→ “Je moet handschoenen gebruiken als je een anti- kalk middel gebruikt bij het
schoonmaken (standpunt). Deze middelen zijn slecht voor je nagels. Ze kunnen er
zelfs door oplossen (eigenschap).”