Summary scriptie_feministisch_schrijven
scriptie_feministisch_schrijven Feministisch schrijven? Een onderzoek naar literaire werken van vrouwelijke auteurs, gepubliceerd in de eerste feministische golf Universiteit Utrecht, 29 juni 2007 Studente: Franca Gilsing Studentnummer: Opleiding: Nederlandse taal en cultuur Afstudeerrichting: Moderne Nederlandse letterkunde Scriptiebegeleidster: dr. J.R. van der Wiel Tweede correctrice: drs. I. van der Tuin Inhoudsopgave Feministisch schrijven? 1 Inhoudsopgave 2 Inleiding 3 Hoofdstuk I: De eerste feministische golf 9 Hoofdstuk II : Literaire stromingen uit het Fin de siècle 14 Hoofdstuk III: Het huishouden 18 Hoofdstuk IV: Schrijfsters en hun romans 22 4.1.A. Louise B.B. () 22 4.1.B. Een oud devies 22 4.2.A. Suze La Chapelle-Roobol () 30 4.2.B. Schuld 30 4.3.A. Josephine Giese () 34 4.3.B. Van een droom 34 4.4.A. Thérèse Hoven () 45 4.4.B. Aan de bron 45 4.5.A. Anna Koubert () 49 4.5.B. Moeder Wassink: Amsterdamsche schets 49 4.6.A. Mina Kruseman () 53 4.6.B. Parias 53 4.7.A. Cornélie Noordwal () 58 4.7.B. Ursule Hagen 58 4.8.A. Anna de Savornin Lohman () 64 4.8.B. Smarten 64 4.9.A. Elise Soer () 70 4.9.B. In boeien 70 4.10.A. Hélène Swarth () 77 4.10.B. Thea Lelie 77 Hoofdstuk V: Slotbeschouwing 88 Bijlage: Samenvattingen literaire werken 98 Bibliografie 114 Primaire literatuur 114 Secundaire literatuur 115 Internetbronnen 116 Inleiding Nergens zo sterk als in de roman [staat vast dat] niet alleen het artistieke kunnen, maar ook de intelligentie, de kennis, de levenservaring en de wereldbeschouwing van den auteur meespreken, dat in geen kunstwerk de sociale habitus van den maker zo onmiddellijk tot uiting komt, dat de roem van geen kunstwerk méér steunt op overeenkomst van sociale staat en inzicht bij dien maker en zijn publiek en dat bijgevolg de beoordeling van een roman niet alleen als factor in de kunst- historie van zijn tijd, maar ook als literair produkt niet buiten het sociologische om kan en mag gaan.1 In het bovenstaande citaat uit Vrouwenspiegel2 van Annie Romein-Verschoor wordt de roman naar voren gehaald als meer dan alleen een kunstwerk. Volgens haar is het ook een manier om meer te weten te komen over sociologische facetten van de tijd waarin het geschreven werd. Literair werk van romancières kan zo tot een beter inzicht in het leven van vrouwen rond het Fin de Siècle leiden. In die periode veranderde het maatschappelijk leven van Nederland in snel tempo. Traditionele normen en waarden stonden rond de eeuwwisseling onder druk, mede door de komst van de eerste feministische golf (). De schrijfster van Vrouwenspiegel geeft aan speciaal geïnteresseerd te zijn in de invloed van de ‘vrouwenbevrijding’ op de literatuur.3 De onderzochte periode van Verschoor omstrijkt dan ook een periode van vijftig jaar die grotendeels met eerste feministische golf overlapt; zij begint met de invloed van de beweging van de Tachtigers op schrijfsters en eindigt vijftig jaar later. Romein-Verschoor let voor haar literaire oordeel over de romans vooral op de (politiek)socialistische betrokkenheid die uit de romans spreekt. Door het belang dat Romein-Verschoor aan de maatschappelijk-politieke elementen hecht gaat ze voorbij aan de huiselijke leefwereld van de personages. Romans waarbij het sociologische discours in een huiselijke context beschreven staat, worden daardoor bij voorbaat als niet of minder belangrijk gezien. Hierdoor mist Romein-Verschoor het inzicht in de (kleine) feministische elementen in de beschreven huiselijke sfeer. Het onderzoek in deze scriptie gaat in op feministische elementen in de verbeelde vrouwelijke leefwereld. De literaire werken die ik hiervoor analyseer zijn allen geschreven door schrijfsters ten tijde van de eerste feministische golf. Ik richt me hierbij specifiek op het verbeelde huishouden en de taken die de vrouwelijke personages daarin hebben. Dit kan werk van vrouwen betreffen dat zij uitvoeren in de hoedanigheid van echtgenotes, moeders of dochters. Daarnaast kijk ik ook naar de werkzaamheden van vrouwen in betaalde arbeid zoals: huishoudsters, dienstmeiden of gezelschapsdames. Hierover later in deze inleiding meer. 1 Romein-Verschoor 1936, Inleiding. 2 Romein-Veschoor 1936. 3 Romein-Verschoor 1936, Inleiding. In de afgelopen jaren zijn er meerdere secundaire werken verschenen die huishoudelijk werk in romans bespreken. Monica Cohen vergelijkt in haar studie Professional domesticity in the Victorian novel 4 de waardering voor onbetaald huishoudelijk werk met de waardering voor betaald werk in Victoriaanse romans. Cohen analyseert omschrijvingen van huishoudelijke taken, dat veelal door vrouwen werd gedaan en het waardeoordeel dat uit de beschrijving blijkt. In een tijd waarin loon gekoppeld was aan maatschappelijke waardering merkt Cohen op dat het onbetaalde huishoudelijke werk steeds meer status kreeg als ‘paid unpaid work’.5 Een oorzaak voor deze toenemende waardering was het inzicht in het belang van huishoudelijk werk. Het huishoudelijke werk stond immers in dienst van anderen en vergde een zekere mate van opleiding en kennis. Dit had tot gevolg dat de grens tussen het betaalde en onbetaalde arbeid vervaagde, volgens Cohen kregen de twee echter geen gelijke status. Het huiselijke leven krijgt ook aandacht in het werk van Maaja Stewart: Domestic realities and imperial fictions.6 Stewart laat zien dat in veel literaire werken de huiselijke wereld van vrouwen werd beschouwd als een geïsoleerde leefwereld. Hierbij bleven de vrouwen onwetend over de ‘echte’ wereld en ervaringen van mannen.7 Volgens Stewart echter maakte het contemporaine maatschappelijke leven deel uit van een algemene discours en drong deze door in álle facetten van het literaire veld, ook in de beschrijving van het huiselijke leven. Bewijs voor deze stelling vindt Stewart onder andere in teksten van Jane Austen. In haar romans worden de traditionele waarden zowel benadrukt als omvergeworpen. De traditionele waarden worden gesymboliseerd in de huiselijke sfeer. Temidden van een veranderende ‘mannelijke’ realiteit zouden de oude waarden bewaard blijven door een geïdealiseerd tijdloos huiselijke vrouwbeeld.8 Volgens Stewart zijn er echter wel degelijk veranderingen zichtbaar in het huiselijke vrouwbeeld. Het huiselijke beeld past zich aan de tijdsgeest aan, onveranderlijk is deze volgens Stewart zeker niet. Ook in Nederland werd de vrouw gekoppeld aan het huiselijke leven. Volgens Ulla Janz9 werden rond het Fin de Siècle contemporaine opvattingen over sekseverschillen in verband gebracht met verschillende maatschappelijke bestemmingen voor mannen en vrouwen. De openbare sfeer (politiek, economie, religie etc.) behoorde aan de man, de privésfeer (gezinsleven, huwelijk, liefde, moederschap, kinderopvoeding) kwam voor de rekening van de vrouw. Ondanks een strikte scheiding tussen de beide leefwerelden begaven steeds meer vrouwen zich in het publieke leven door hun literaire werk. Het burgerlijke huiselijke leven was hierbij favoriet onderwerp bij schrijfsters volgens Hella Haase. Zij noemt als een van de redenen voor die populariteit het feit dat veel vrouwen ervaringsdeskundigen waren en letterlijk ‘van huis uit’ schreven. Bovendien paste de beschrijving van het huiselijke leven bijzonder goed in de heersende literaire stroming: het gematigde 4 Cohen 1998. 5 Cohen 1998, 6. 6 Stewart 1993. 7 Stewart 1993, 1. 8 Stewart 1993, 3. 9 Jansz, 1990. realisme. In deze stroming was veel ruimte voor de huiselijke sfeer en innerlijke levenswereld van de personages.10 De literaire critici Maaike Meijer en Romein-Verschoor gaan nader in op het toenemende aantal schrijfsters in het Fin de Siècle. Zij noemen hierbij allebei het opkomende feminisme als oorzaak voor de stijging. Meijer noemt nog een aantal andere redenen voor de toename zoals het ontstaan van een breder intellectueel geïnteresseerde middenklasse. Hierdoor raakten vrouwen meer betrokken bij het maatschappelijke en culturele leven. 11 Andere redenen zijn volgens Maaike Meijer de toenemende modernisering en de automatisering van het huishouden waardoor vrouwen meer tijd kregen om te schrijven. Dit geldt echter alleen voor vrouwen uit de middenklasse of de bovenklasse van de maatschappij, vrouwen uit de arbeidersklasse hadden niet de tijd noch de middelen om te schrijven doordat zij moesten werken om het gezinsinkomen aan te vullen. De beschrijving van het huishoudelijke leven zorgde voor een groot gevoel van herkenning bij het lezende publiek. Deze bestond (net zoals nu) voor het merendeel uit vrouwen. Juist de werken van schrijfsters verkochten in het Fin de Siècle goed. Vrouwelijke personages van mannelijke auteurs die nu een grote literaire reputatie genieten werden in hun eigen tijd minder gewaardeerd dan hun vrouwelijke collega’s. Zo werden de vrouwelijke personages door het lezerspubliek te geaffecteerd en gemanierd gevonden volgens Haasse.12 Ondanks de herkenbaarheid in werken van romancières worden in secundaire werken over het literaire vrouwbeeld vooral romans van mannelijke auteurs onderzocht. Zo kijkt Harold van Dijk vooral naar het werk van schrijvers in zijn studie In het liefdeleven ligt gansch het leven: het beeld van de vrouw in het Nederlands realistisch proza.13 Waarom hij boeken van vrouwen maar mondjesmaat toelaat maakt hij niet duidelijk. Ook Mary Kemperink14 betrekt opvallend meer mannelijke dan vrouwelijke auteurs in haar onderzoek naar het verband tussen de cultuur en literatuur van het Fin de Siècle. Het zijn niet de enige werken waarin vrouwen geen gelijke plaats krijgen, ook in veel recente standaardwerken over de Nederlandse literatuurgeschiedenis krijgen vrouwen geen gelijke positie ten aanzien van hun mannelijke collega’s.15 De beschrijving van vrouwelijke personages in de secundaire werken vertoont grote overeenkomsten. Volgens Van Dijk was het geen uitzondering dat een vrouwelijk personage een baan had, deze functie werd echter lang niet zo belangrijk geacht als de betrekking van een man. De betaalde vrouwelijke werkzaamheden vinden in specifieke vrouwelijke sectoren plaats, zoals de zorg. De motivering achter de beroepskeuze van vrouwen had een totaal ander karakter dan dat van mannen. De laatste werkt uit noodzaak, om het gezin te onderhouden. ‘De vorm van taakuitvoering staat […] apart: 10 Haasse 1979, 67. 11 Meijer, 1993. 12 Haasse 1979, 68. 13 Dijk, van, 2001. 14 Kemperink, 2001. nadrukkelijk geschiedt de armenzorg vanuit een ideaal, niet om verdienste.’16 Het werk van de vrouw ontstond uit een persoonlijke ideologie. Vrouwelijke personages lijken zich volgens Van Dijk bewust van het ondergeschikt belang van hun betaalde professie, het dagelijkse bestaan van hen draait dan ook niet om hun werk, belangrijker vinden zij de vraag naar hun levensbestemming. Deze bestemming ligt voor de vrouw vaak in het huwelijk: het verzorgen van het huishouden en gezin.17 Dit zou niet alleen het beste voor het gezin zijn maar ook voor de vrouw, het huishoudelijke leven voorkwam dat zij moreel in verval raakte. Van Dijk wijst erop dat de literatuur echter geen gelijke tred liep met de maatschappelijke ontwikkelingen. In de samenleving werd de buitenhuiselijke wereld meer betrokken bij het leven van de vrouw. In proza keren vrouwen zich juist af van de buitenwereld. Het huwelijk en het moederschap zijn ook volgens de studie van Mary Kemperink het ideaal.18 Dit, en dit alleen, is voor vrouwen ‘zinsgevend’.19 Wanneer ze geen gezin hebben gaan vrouwelijke personages als vanzelfsprekend zorgen voor andermans kinderen of gaan ze vrijwilligerswerk doen. Kemperink ziet sporadisch enkele studerende personages maar deze vrouwen leren steeds voor een ‘hoger doel’. De werkzaamheden waar zij voor studeren staan in dienst van anderen; zoals verpleegkunde. Ander werk zit ‘het moederschap en de echte liefde in de weg’.20 Deze visie wordt gedeeld door zowel mannelijke en vrouwelijke personages. Toch wijst Kemperink op een verandering: het gebrek aan onderwijs bij vrouwen werd steeds meer als nadelig gezien. Hierbij staat echter niet het belang van de vrouw voorop: zij zou door haar gebrek aan kennis achterblijven bij de man en hierdoor niet mee kunnen gaan in zíjn interesses. Het feminisme wordt volgens Van Dijk en Kemperink niet veel genoemd. Als uitzondering die de regel bevestigd noemen beiden Hilda van Suylenburg van Cécile Goekoop- de Jong van Beek en Donk.21 Zij hebben het dan echter vooral op de heftige reacties die de roman teweeg bracht. In het literaire werk komen vele programmapunten van het feminisme aanbod zoals kiesrecht, opleidingsmogelijkheden en het huwelijksrecht. Ondanks alle belemmerende normen en waarden slaagt de vrouwelijke hoofdpersoon er toch in om naast haar huwelijk en moederschap ook een carrière als advocate op te bouwen. In reactie op de roman schreef de romancière Anna de Savornin Lohman de brochure De liefde in de vrouwenquestie.22 Zij toont zich een voorstander van meer rechten voor de vrouw maar vond het boek te ver gaan in het streven naar gelijkheid tussen de seksen. Volgens Savornin Lohman kunnen vrouwen en mannen nooit gelijk worden omdat zij ‘nu eenmaal, naar lichaam en naar ziel, totaal verschillend geschapen wezens zijn’.23 Volgens haar zijn de feministen helaas ‘te veel door de hitte verblind’ in hun strijd om dit in te 16 Dijk, van, 2001, 33. 17 Dijk, van, 2001, 42. 18 Kemperink., 2001. 19 Kemperink 2001, 197. 20 Kemperink 2001, 197. 21 Dijk, van, 2001, 93-94. Kemperink 2001, 67. 22 Savornin Lohman 1898. 23 Savornin Lohman 1
Geschreven voor
- Instelling
- College Of Southern Maryland Community College
- Vak
- Mee 456
Documentinformatie
- Geüpload op
- 23 mei 2022
- Aantal pagina's
- 159
- Geschreven in
- 2021/2022
- Type
- Samenvatting
Onderwerpen
-
scriptiefeministischschrijven
-
scriptiefeministischschrijven 2022
-
scriptiefeministischschrijven updateed