Base = tegenhanger van zuur. Stof dat een H +-ion kan opnemen in contact met water
Sterke base = base die in water in een aflopende reactie OH —ionen vormt. Alles in Binas 49 onder H2O.
Zwakke base = base die in water in een evenwichtsreactie OH —ionen vormt. Alles in Binas 49 boven H 2O.
Geconjugeerd zuur-basepaar = als een zwakke base een H +-ion opneemt, ontstaat een zwak zuur dat weer een H +-ion
kan afgeven
2H2O OH- + H3O+
10-7 10-7
Theoretische basen (sterke zuren) willen geen H+-ion meer opnemen.
Moleculair
- NH3
- Amine (-NH2)
Ion als base
1. Zout oplossen in water
2. Negatief ion kan base zijn
goed oplosbaar sterke base (reactie met water)
Zouten zwakke base (1. Oplossen 2. Reactie als base)
slecht oplosbaar (geen reactie met water)
pH = -log [H3O+] pOH = -log [OH-]
[H3O+] = 10-pH [OH-] = 10-pOH
pOH + pH = 14
pH in 3 significante cijfers (???)
Uit je hoofd leren:
- Zoutzuur (HCl-oplossing)
- Salpeterzuur (HNO3)
- Zwavelzuur (H2SO4)
- Fosforzuur (H3PO4)
- Ammonia (NH3-oplossing)
- Azijnzuur (CH3COOH)
- Natronloog (NaOH-oplossing)
- Kaliloog (KOH-oplossing)
- Barietwater (BaOH-oplossing)
Stappenplan zuur-basereactie:
1. Welke deeltjes zijn aanwezig (sterk/zwak notatie) (bij sterk zuur H 3O+ en Z- en bij zwak zuur HZ)
2. Welk deeltje is het zuur/de base
3. Geef de reactievergelijking van de zuur/base-reactie
4. Ontstaat er een neerslag met overgebleven ionen
XCO3 + 2H3O+ X2+ +CO2 + 3H2O ( in zuur)
Meerwaardige zwakke base = neemt Meestal maar één H +-ion op van water.
Meerwaardige basen = basen die meer dan een H+-ion op kunnen nemen
Zuur-basetitratie = een onbekende hoeveelheid base reageert met zoutzuur met een bekende molariteit.
Zure en basische oplossingen zijn meestal kleurloos, waardoor je niet kunt zien wanneer alle base heeft gereageerd.
Daarvoor voeg je een indicator toe aan de basische oplossing met onbekende molariteit. Wanneer je een indicator