Medische kennis blok 1
(hoor- en werkcolleges week 37)
Metabolisme = Het geheel van alle biochemische processen in de levende
cellen.
Katabolisme – afbrekende processen
Anabolisme – opbouwende processen
Katabool:
Moleculen worden afgebroken
Komt energie bij vrij
De energie is o.a. nodig voor opbouw
Anabool:
Moleculen worden gemaakt
Processen kosten energie
Energie is nodig voor groei, onderhoud, opslag en herstel
Een Aerobe verbranding vereist zuurstof, anaeroob niet.
Anaeroob leidt tot verzuring.
Katabool – dissimilatie
Anabool – assimilatie
Enzymen = Eiwitten die het biochemische reacties in de cel versnellen.
Zonder enzymen is er geen leven mogelijk bij de mens, alles gaat te
langzaam.
Kenmerken van enzymen:
Eiwitten
Zuurgevoelig
Temperatuurgevoelig
Versnellen biochemische reacties
Hebben vaak co-enzymen nodig
Worden zelf niet verbruikt
Hebben als uitgang vaak ase
,Anatomische houding:
Ogen open
Rechtop staan v/h lichaam
Hoofd rechtop
Armen gestrekt naar het lichaam
Handpalmen naar voren
Voeten iets gespreid
Hoofd – caput
Hals – collum
Schoudergordel – cingulum pectorale
Borstkas – Thorax
Buik – abdomen
Bekken – pelvis
Ledematen – extremiteiten
3 lichaamsvlakken:
Frontale vlak verdeeld in voor en achter
Mediane vlak/Sagittale vlak verdeeld in links en rechts
Transversale vlak verdeeld in boven en onder
Positionele termen Betekenis Voorbeeld
Dexter Rechts Oculus dexter =
rechter oog
Sinister Links Oculus sinister = linker
oog
Mediaal Richting het midden Het hart ligt mediaal
van de bovenarm
Lateraal Richting de zijkant De bovenarm ligt
lateraal van het hart
Ventraal - Anterior Richting de voorkant Borstbeen ligt ventraal
van de wervelkolom
Dorsaal - Posterior Richting de achterkant Wervelkolom ligt
dorsaal van het
borstbeen
Craniaal - Superior Richting het hoofd Schedel ligt craniaal
van de
schouderbladen
Caudaal - Inferior Richting de voeten Schouderbladen liggen
caudaal van de
schedel
Proximaal (ledematen) Richting aanhechting Het dijbeen ligt
proximaal van het
scheenbeen
Distaal (ledematen) Richting uiteinde Het scheenbeen ligt
distaal van het dijbeen
, Het skelet
Cranium- schedel
Thorax – borstkas
Axillair – oksel
Brachiaal – arm
Humerus – bovenarm
Ulna – ellepijp
Radius – spaakbeen
Sternum – borstbeen
Carpus - handworstel
Scapula – schouderblad
Abdomen – buik
Carpaal – pols
Femur – dijbeen
Patella – knieschijf
Cruraal – onderbeen
Tibia – scheenbeen
Fibula - kuitbeen
Ossa tarsi – voetwortelbeentjes
Ossa metatarsi - middenvoetsbeentjes
Clavicula - sleutelbeen
Vertebra – wervel
Sacrum – heiligbeen
Coccygis – staartbeen
Voorbeelden:
Het buigen van de vingers: Flexie
Het naar achteren bewegen van een geheel been: Retroflexie
Het draaien van de arm naar buiten in de schouder: Exorotatie
Het naar boven bewegen van de hand: Dorsaal flexie
Het naar buiten draaien van het bovenbeen in de heup: Exorotatie
Het zijwaarts bewegen van het bovenbeen in de heup: Abductie
De duim plaatsen op de andere vingers: Opponeren
De hand naar buiten draaien, waardoor de handpalm naar boven wijst:
Supinatie
Adductie – naar het lichaam toe
Abductie – van het lichaam af
Anteflexie – naar voren
Retroflexie – naar achteren
Exorotatie – naar buiten
Endorotatie – naar binnen
(hoor- en werkcolleges week 37)
Metabolisme = Het geheel van alle biochemische processen in de levende
cellen.
Katabolisme – afbrekende processen
Anabolisme – opbouwende processen
Katabool:
Moleculen worden afgebroken
Komt energie bij vrij
De energie is o.a. nodig voor opbouw
Anabool:
Moleculen worden gemaakt
Processen kosten energie
Energie is nodig voor groei, onderhoud, opslag en herstel
Een Aerobe verbranding vereist zuurstof, anaeroob niet.
Anaeroob leidt tot verzuring.
Katabool – dissimilatie
Anabool – assimilatie
Enzymen = Eiwitten die het biochemische reacties in de cel versnellen.
Zonder enzymen is er geen leven mogelijk bij de mens, alles gaat te
langzaam.
Kenmerken van enzymen:
Eiwitten
Zuurgevoelig
Temperatuurgevoelig
Versnellen biochemische reacties
Hebben vaak co-enzymen nodig
Worden zelf niet verbruikt
Hebben als uitgang vaak ase
,Anatomische houding:
Ogen open
Rechtop staan v/h lichaam
Hoofd rechtop
Armen gestrekt naar het lichaam
Handpalmen naar voren
Voeten iets gespreid
Hoofd – caput
Hals – collum
Schoudergordel – cingulum pectorale
Borstkas – Thorax
Buik – abdomen
Bekken – pelvis
Ledematen – extremiteiten
3 lichaamsvlakken:
Frontale vlak verdeeld in voor en achter
Mediane vlak/Sagittale vlak verdeeld in links en rechts
Transversale vlak verdeeld in boven en onder
Positionele termen Betekenis Voorbeeld
Dexter Rechts Oculus dexter =
rechter oog
Sinister Links Oculus sinister = linker
oog
Mediaal Richting het midden Het hart ligt mediaal
van de bovenarm
Lateraal Richting de zijkant De bovenarm ligt
lateraal van het hart
Ventraal - Anterior Richting de voorkant Borstbeen ligt ventraal
van de wervelkolom
Dorsaal - Posterior Richting de achterkant Wervelkolom ligt
dorsaal van het
borstbeen
Craniaal - Superior Richting het hoofd Schedel ligt craniaal
van de
schouderbladen
Caudaal - Inferior Richting de voeten Schouderbladen liggen
caudaal van de
schedel
Proximaal (ledematen) Richting aanhechting Het dijbeen ligt
proximaal van het
scheenbeen
Distaal (ledematen) Richting uiteinde Het scheenbeen ligt
distaal van het dijbeen
, Het skelet
Cranium- schedel
Thorax – borstkas
Axillair – oksel
Brachiaal – arm
Humerus – bovenarm
Ulna – ellepijp
Radius – spaakbeen
Sternum – borstbeen
Carpus - handworstel
Scapula – schouderblad
Abdomen – buik
Carpaal – pols
Femur – dijbeen
Patella – knieschijf
Cruraal – onderbeen
Tibia – scheenbeen
Fibula - kuitbeen
Ossa tarsi – voetwortelbeentjes
Ossa metatarsi - middenvoetsbeentjes
Clavicula - sleutelbeen
Vertebra – wervel
Sacrum – heiligbeen
Coccygis – staartbeen
Voorbeelden:
Het buigen van de vingers: Flexie
Het naar achteren bewegen van een geheel been: Retroflexie
Het draaien van de arm naar buiten in de schouder: Exorotatie
Het naar boven bewegen van de hand: Dorsaal flexie
Het naar buiten draaien van het bovenbeen in de heup: Exorotatie
Het zijwaarts bewegen van het bovenbeen in de heup: Abductie
De duim plaatsen op de andere vingers: Opponeren
De hand naar buiten draaien, waardoor de handpalm naar boven wijst:
Supinatie
Adductie – naar het lichaam toe
Abductie – van het lichaam af
Anteflexie – naar voren
Retroflexie – naar achteren
Exorotatie – naar buiten
Endorotatie – naar binnen