Thema 5 – regeling
§1 tm 6 havo 4
Basisstof 1 – regeling en homeostase
Homeostase: het in stand houden van een dynamisch evenwicht
→ voorbeeld van zelfregulatie van het organismen
Normwaarde: bijv. normwaarde van lichaamstemperatuur, een waarde moet rond een bepaalde
waarde zitten om goed te kunnen functioneren. Je normale lichaamstemperatuur schommelt
ronden 37C. hier is sprake van een dynamisch evenwicht, dit wordt in stand gehouden door een
regelkring. (Het in stand houden = homeostase)
Regelkringen
o Negatieve terugkoppeling: resultaat heeft een remmende werking op het proces
o Positieve terugkoppeling: resultaat heeft een stimulerende werking op het proces
o Inwendig milieu: niet indirect in contact met de omgeving. Minimaal één cellaag tussen
uitwendige milieu en inwendig milieu
o Uitwendig milieu: cellen in direct contact met de omgeving
→ homeostatische regelkringen in je lichaam zorgen ervoor dat de omstandigheden in het
inwendige milieu niet te veel veranderen.
Basisstof 2 – hormonale regulatie
Hormonen: signaalmoleculen voor de overdracht van informatie tussen cellen.
→ in organismen wordt informatie tussen cellen overgedragen met deze cellen
De signaalmolecuul die de cellen van hormoonklieren afgeven, zijn hormonen. Ze worden
afgegeven aan het bloed dat door de hormoonklier stroomt. BINAS 89A
o Endocriene klieren: hormoonklieren
o Exocriene klieren: klieren met een afvoerbuis. Dit afvoeren naar een afvoerbuis heet
excretie of uitscheiding
De afgifte van hormonen door de hormoonklier heeft secretie.
Doelwitcellen: cellen die gevoelig zijn voor een bepaald hormoon
o Het hormoon bindt aan receptoren op de doelwit cel. De binding van hormonen
veroorzaakt een bepaalde reactie.
o De hormoonconcentratie is mede bepalen voor de mate waarin er een reactie plaatsvindt.
De hypofyse en de hypothalamus
De hypofyse is een hormoonklier, de hypothalamus reguleert de uitscheiding van hormonen door
de hypofyse. De hypofyse produceert verschillende hormonen BINAS 89A
o TSH: thyreoïdstimulerend hormoon
o FSH: follikelstimulerend hormoon
o LH: luteïniserend hormoon
o GH: groeihormoon, regelt de groei en ontwikkeling
o ADH: antidiuretisch hormoon: regelt resorptie van water in de nieren bij vorming van urine
o Oxytocine: stimuleert het ontstaan van weeën, na de geboorte voor melksecretie uit de
melkklieren in de borsten
Schildklier
Hormoonklier dat het schildklierhormoon (thyroxine) produceert. Dit hormoon stimuleert
voornamelijk de verbranding van glucose
Bij kinderen stimuleert het de groei/ontwikkeling van het beenderstelsel
Hypofyse → TSH (Thyroxine Stimulerend Hormoon) → Thyroxine
o Te veel thyroxine produceren: de intensiteit van stofwisseling neemt toe (gewichtsverlies,
toename eetlust en rusteloosheid)
o Te weinig thyroxine produceren: de intensiteit van de stofwisseling neemt af
(gewichtstoename en vermoeidheid + snel koud krijgen)
§1 tm 6 havo 4
Basisstof 1 – regeling en homeostase
Homeostase: het in stand houden van een dynamisch evenwicht
→ voorbeeld van zelfregulatie van het organismen
Normwaarde: bijv. normwaarde van lichaamstemperatuur, een waarde moet rond een bepaalde
waarde zitten om goed te kunnen functioneren. Je normale lichaamstemperatuur schommelt
ronden 37C. hier is sprake van een dynamisch evenwicht, dit wordt in stand gehouden door een
regelkring. (Het in stand houden = homeostase)
Regelkringen
o Negatieve terugkoppeling: resultaat heeft een remmende werking op het proces
o Positieve terugkoppeling: resultaat heeft een stimulerende werking op het proces
o Inwendig milieu: niet indirect in contact met de omgeving. Minimaal één cellaag tussen
uitwendige milieu en inwendig milieu
o Uitwendig milieu: cellen in direct contact met de omgeving
→ homeostatische regelkringen in je lichaam zorgen ervoor dat de omstandigheden in het
inwendige milieu niet te veel veranderen.
Basisstof 2 – hormonale regulatie
Hormonen: signaalmoleculen voor de overdracht van informatie tussen cellen.
→ in organismen wordt informatie tussen cellen overgedragen met deze cellen
De signaalmolecuul die de cellen van hormoonklieren afgeven, zijn hormonen. Ze worden
afgegeven aan het bloed dat door de hormoonklier stroomt. BINAS 89A
o Endocriene klieren: hormoonklieren
o Exocriene klieren: klieren met een afvoerbuis. Dit afvoeren naar een afvoerbuis heet
excretie of uitscheiding
De afgifte van hormonen door de hormoonklier heeft secretie.
Doelwitcellen: cellen die gevoelig zijn voor een bepaald hormoon
o Het hormoon bindt aan receptoren op de doelwit cel. De binding van hormonen
veroorzaakt een bepaalde reactie.
o De hormoonconcentratie is mede bepalen voor de mate waarin er een reactie plaatsvindt.
De hypofyse en de hypothalamus
De hypofyse is een hormoonklier, de hypothalamus reguleert de uitscheiding van hormonen door
de hypofyse. De hypofyse produceert verschillende hormonen BINAS 89A
o TSH: thyreoïdstimulerend hormoon
o FSH: follikelstimulerend hormoon
o LH: luteïniserend hormoon
o GH: groeihormoon, regelt de groei en ontwikkeling
o ADH: antidiuretisch hormoon: regelt resorptie van water in de nieren bij vorming van urine
o Oxytocine: stimuleert het ontstaan van weeën, na de geboorte voor melksecretie uit de
melkklieren in de borsten
Schildklier
Hormoonklier dat het schildklierhormoon (thyroxine) produceert. Dit hormoon stimuleert
voornamelijk de verbranding van glucose
Bij kinderen stimuleert het de groei/ontwikkeling van het beenderstelsel
Hypofyse → TSH (Thyroxine Stimulerend Hormoon) → Thyroxine
o Te veel thyroxine produceren: de intensiteit van stofwisseling neemt toe (gewichtsverlies,
toename eetlust en rusteloosheid)
o Te weinig thyroxine produceren: de intensiteit van de stofwisseling neemt af
(gewichtstoename en vermoeidheid + snel koud krijgen)