Verstedelijking
Vanaf 11e eeuw kwamen in Europa weer steden, 5+ eeuwen na ondergang West-Europa ontstond er
opnieuw een landbouw stedelijke samenleving.
De urbanisatie (verstedelijking) ging eeuwen door, ook na de middeleeuwen. In de tijd van steden
en staten kregen de meeste maar enkele honderden of duizenden inwoners.
Steden ontstonden weer, omdat Vikingen stopte met invasies en plundertochten/invallers, daardoor
kon er weer handel komen. Boeren begonnen overschotten te produceren, er bestond aanbod dat
boeren verkochten in steden waar vraag was naar vlees, graan en andere landbouwproducten.
Om vraag en aanbod naar elkaar te brengen werden markten georganiseerd.
Mensen groeiden doordat er voortdurend mensen naartoe gingen, ze waren aantrekkelijk door hun
welvaart en vrijheid.
Een rol speelde ook dat de Europese bevolking in de jaren 1000-1300 verdubbelde.
Handel en nijverheid
Specerijen werden verhandeld van grote afstanden.
Laken was het belangrijkste Europese nijverheidsproduct voor de langeafstandshandel.
Lakenkooplieden importeerden wol uit Engeland en zetten daarmee ambachtslieden en arbeiders
aan het werk.
Steden, edelen en vorsten hieven bij bruggen, op wegen en bij havens een speciale belasting. Met
zo’n tol verdienen ze aan het vervoer.
Om voor hun gezamenlijke belangen op te komen, richten kooplieden verenigingen op. Deze hanzen
hadden soldaten in dienst om leden op handelsroutes te beschermen. Hanzenleden loste ruzies op
en maakte afspraken met vorsten, edelen en steden. In ruil hoefde ze geen tol te betalen.
Een geldeconomie
Munten werden het belangrijkste betaalmiddel.
In Italië ontstonden ook nieuwe handels- en betaalmethoden. Zo werden er bedrijven gesticht waar
mensen samen geld in staken. Sommige van deze compagnieën groeiden uit tot grote
handelsbedrijven.
Een andere vernieuwing was de wisselbrief voor handelaren die elkaar vertrouwden. In zo’n brief
stond dat de koper geld schuldig was aan de verkoper. Daardoor hoefde handelaren niet te reizen
met kisten vol munten.
In Italië ontstonden ook de eerste banken. Handelaren gingen geld uitlenen tegen een vergoeding,
rente. Bankiers bedachten een manier hoe handelaren geld naar elkaar konden overmaken, de giro
→ muntgeld was niet meer nodig.
, Begrippenlijst:
Aanbod: wat iemand wil verkopen
Bank: bedrijf dat geld bewaart, wisselt en uitleent
Compagnie bedrijf waarin mensen geld gestoken hebben
Giro: betalingssysteem waarbij geld via een bank wordt overgemaakt
Hanze: organisatie van samenwerkende handelaren
Rente: vergoeding voor het lenen van geld
Specerij: plantaardige smaakstof
Tijd van steden en staten: vierde tijdvak (1000-1500)
Tol: belasting voor het gebruik van een weg, rivier of brug
Urbanisatie (Verstedelijking): Het ontstaan en de groei van steden
Vraag: wat iemand wil kopen
Wisselbrief: brief waarmee handelaren konden betalen aan andere handelaren
Kenmerkend(e) aspect(en):
De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane
samenleving.