Samenvatting en begrippen Ethologie
Hoofdstuk 52: Gedragsbiologie
Gedrag: Een actie die uitgevoerd wordt door de spieren en wordt gecontroleerd door het
zenuwstelsel. Gedrag wordt gebaseerd op fysiologische systemen en processen. Belangrijk voor:
- Vinden van voedingsstoffen
- Seksuele reproductie
- Homeostase
Sommige gedrag is aangeboren (reflexen) en soms moet het aangeleerd. Er is een groot verschil
in flexibiliteit van dieren.
Ethologie: De wetenschappelijke studie van diergedrag (met name in de natuurlijke omgeving).
4 vragen van Tinbergen: Voor het begrijpen van bepaald gedrag, worden 4 vragen gesteld:
1. Welke stimulus veroorzaakt deze reactie en welke fysiologische mechanismen helpen deze
reactie? Proximate
2. Hoe beïnvloedt de ervaring (door groei en ontwikkeling) van het dier deze reactie?
Proximate
3. Hoe helpt dit gedrag de overleving en reproductie? Ultimate
4. Wat is de evolutionaire geschiedenis van dit gedrag? Ultimate
Proximate: Hoe bepaald gedrag ontstaat of verandert (Dichtbij).
Ultimate: Waarom bepaald gedrag ontstaat in de context van natuurlijke selectie (Ver weg).
Gedragsecologie: Studie van ecologische en evolutionaire basis van gedrag.
Gedragselementen: Afzonderlijke handeling van een dier die waarneembaar zijn voor de
observant.
Fixed action pattern/gedragsketen: Aangeboren gedrag, staat vast. Een vaste volgorde van
gedragselementen die vast staat en vaak niet veranderd kan worden. Wordt vaak getriggerd door
een uitwendige prikkel (sign stimulus/sleutelprikkel).
Sleutelprikkel: Belangrijkste prikkel om gedrag te vertonen. Gedrag wordt altijd vertoond
na deze prikkel
Gedragssysteem: Een groep gedragselementen die samen ergens voor zorgen (voortplanting,
voedsel). Hoeven niet in een bepaalde volgorde uitgevoerd te worden.
Stimulus (prikkel): Een in-, of uitwendige verandering waar een organisme op reageert.
Signaal: Een prikkel die wordt overgedragen van het ene organisme naar de ander.
Communicatie: Verzendingen en ontvangsten van signalen.
Interne stimuli: Stimulus afkomstig uit het organisme zelf (hormonen).
Externe stimuli: Stimulus afkomstig van de omgeving van het organisme.
Feromonen: Kleine hoeveelheden van een bepaalde stof die onbewust voor een reactie zorgen.
Kinesis: Reactie die geen richting heeft. Pissebedden gaan niet bewust opzoek naar een natte
plek. Ze lopen willekeurig en blijven zitten wanneer het vochtig is
Taxis: Reactie met een richting. Vissen zwemmen tegen de stroom in.
Hoofdstuk 52: Gedragsbiologie
Gedrag: Een actie die uitgevoerd wordt door de spieren en wordt gecontroleerd door het
zenuwstelsel. Gedrag wordt gebaseerd op fysiologische systemen en processen. Belangrijk voor:
- Vinden van voedingsstoffen
- Seksuele reproductie
- Homeostase
Sommige gedrag is aangeboren (reflexen) en soms moet het aangeleerd. Er is een groot verschil
in flexibiliteit van dieren.
Ethologie: De wetenschappelijke studie van diergedrag (met name in de natuurlijke omgeving).
4 vragen van Tinbergen: Voor het begrijpen van bepaald gedrag, worden 4 vragen gesteld:
1. Welke stimulus veroorzaakt deze reactie en welke fysiologische mechanismen helpen deze
reactie? Proximate
2. Hoe beïnvloedt de ervaring (door groei en ontwikkeling) van het dier deze reactie?
Proximate
3. Hoe helpt dit gedrag de overleving en reproductie? Ultimate
4. Wat is de evolutionaire geschiedenis van dit gedrag? Ultimate
Proximate: Hoe bepaald gedrag ontstaat of verandert (Dichtbij).
Ultimate: Waarom bepaald gedrag ontstaat in de context van natuurlijke selectie (Ver weg).
Gedragsecologie: Studie van ecologische en evolutionaire basis van gedrag.
Gedragselementen: Afzonderlijke handeling van een dier die waarneembaar zijn voor de
observant.
Fixed action pattern/gedragsketen: Aangeboren gedrag, staat vast. Een vaste volgorde van
gedragselementen die vast staat en vaak niet veranderd kan worden. Wordt vaak getriggerd door
een uitwendige prikkel (sign stimulus/sleutelprikkel).
Sleutelprikkel: Belangrijkste prikkel om gedrag te vertonen. Gedrag wordt altijd vertoond
na deze prikkel
Gedragssysteem: Een groep gedragselementen die samen ergens voor zorgen (voortplanting,
voedsel). Hoeven niet in een bepaalde volgorde uitgevoerd te worden.
Stimulus (prikkel): Een in-, of uitwendige verandering waar een organisme op reageert.
Signaal: Een prikkel die wordt overgedragen van het ene organisme naar de ander.
Communicatie: Verzendingen en ontvangsten van signalen.
Interne stimuli: Stimulus afkomstig uit het organisme zelf (hormonen).
Externe stimuli: Stimulus afkomstig van de omgeving van het organisme.
Feromonen: Kleine hoeveelheden van een bepaalde stof die onbewust voor een reactie zorgen.
Kinesis: Reactie die geen richting heeft. Pissebedden gaan niet bewust opzoek naar een natte
plek. Ze lopen willekeurig en blijven zitten wanneer het vochtig is
Taxis: Reactie met een richting. Vissen zwemmen tegen de stroom in.