Week 9 t/m 17
NEXT1
,Inhoudsopgave
WEEK 9: CARDIOVASCULAIRE AANPASSINGEN..................................................................................3
WEEK 10: WEEFSELAANPASSINGEN NA TRAINING.............................................................................6
WEEK 11: ZENUW- EN HORMOONSTELSEL.......................................................................................12
WEEK 12: STRESS.............................................................................................................................17
WEEK 13: ACTIEPOTENTIAAL...........................................................................................................24
WEEK 14: SPIERKRACHT EN PROPRIOCEPSIS....................................................................................32
WEEK 15: PIJNFYSIOLOGIE...............................................................................................................38
WEEK 16 + 17: TOEPASSING CASUÏSTIEK..........................................................................................45
,WEEK 9: CARDIOVASCULAIRE AANPASSINGEN
9.1 DE STUDENT KAN BESCHRIJVEN WELKE FYSIOLOGISCHE AANPASSINGEN OP HET
NIVEAU VAN DE SPIEREN OPTREDEN ALS GEVOLG VAN TRAINING
Door training kunnen de volgende factoren verbeteren op spierniveau:
- Vascularisatie
De doorbloeding in de spieren wordt beter. Er worden meer capillairen aangemaakt
voor de zuurstofuitwisseling.
- Myoglobine
Myoglobine is een eiwitcomplex dat zuurstof bindt. Door training is er meer
myoglobine aanwezig in de spier.
- Mitochondria
Mitochondria zijn de energiefabriekjes. Door training worden er meer mitochondria
aangemaakt, waardoor de spier beter energie aan kan maken.
Wanneer bovenstaande factoren door training verbeteren, neemt ook het arterioveneus
zuurstofverschil (a-v O2 verschil) toe. Dit betekent dat bijna al het zuurstof dat de spieren
bereikt, ook door de spieren gebruikt wordt.
9.2 DE STUDENT KAN BESCHRIJVEN WELKE CARDIOVASCULAIRE AANPASSINGEN
OPTREDEN ALS GEVOLG VAN TRAINING
- Stijging bloedvolume
Er wordt meer bloed aangemaakt.
- Stijging slagvolume
Als gevolg van de stijging van het bloedvolume past het slagvolume zich aan door
middel van het Frank-Starlingmechanisme. Het einddiastolisch volume minus het
eindsystolisch volume is het slagvolume (SV = EDV – ESV).
- Hartfrequentie stijgt (tijdens inspanning)
De hartfrequentie neemt bij inspanning toe.
- Hartfrequentie daalt (in rust)
Door de stijging van het slagvolume gaat de hartfrequentie omlaag.
- Stijging HMV
Het hartminuutvolume stijgt, doordat het slagvolume en de hartfrequentie toeneemt
(HMV = Hf x SV).
- Aanpassing hart
Bij het trainen van het uithoudingsvermogen neemt het hart toe in volume en ook
het myocard wordt iets dikker. Bij krachttraining blijft het volume gelijk ten opzichte
van een sedentair persoon, maar wordt het myocard aanzienlijk dikker (het hart kan
krachtiger pompen).
- Coronaire doorbloeding verbeterd
De coronaire doorbloeding verbeterd. Dit betekent dat het hart in conditie
vooruitgaat.
- Perifere weerstand daalt
De perifere weerstand daalt. Dit betekent dat de rekbaarheid van de vaatwand
groter wordt.
Bovenstaande cardiovasculaire aanpassingen zorgen ervoor dat het maximale aerobe
uithoudingsvermogen toeneemt. De VO2max is te berekenen door: HMV x a-v O2 verschil
, 9.3 DE STUDENT KAN EEN BESCHRIJVING GEVEN VAN DE
ONDERSTAANDE TERMINOLOGIE:
Slagfrequentie (Hf)
de snelheid waarmee het hart per minuut klopt
Slagvolume (SV)
de hoeveelheid bloed die tijdens één slag uit het hart wordt weggepompt. Het
slagvolume is afhankelijk van de veneuze return, de rekbaarheid van de ventrikels, de
contractiekracht van de ventrikels en de arteriële bloeddruk in de aorta en de longarteriën.
SV = EDV – ESV
Frank-Starlingmechanisme
Bij een grotere bloedtoevoer wordt het hart met een grotere hoeveelheid bloed gevuld.
Hierdoor rekt de spierwand passief verder uit. Na deze rekking levert de hartspier een
grotere kracht bij de volgende systole. Dit heet het Frank-Starlingmechanisme.
Hartminuutvolume (HMV)
De hoeveelheid bloed die het hart wegpompt in één minuut. Ook wel de cardiac output
genoemd (L/min). HMV wordt bepaald door het slagvolume en de hartfrequentie.
HMV = Hf x SV
Hemoglobinegehalte (Hb)
Hemoglobine is een eiwitcomplex in rode bloedcellen dat zuurstof en kooldioxide
vervoert in het bloed. Hemoglobine wordt afgekort als Hb. Het hemoglobinegehalte wordt
uitgedrukt in mmol/l.
Hematocrietwaarde (Ht)
Het volume bloed dat door rode bloedcellen (erytrocyten) wordt ingenomen. Bij een te
hoge hematocrietwaarde wordt het bloed stroperiger en kan leiden tot hart- en vaatziekten.
Sporters, bijv. wielrenners hebben baat bij een verhoogde hematocrietwaarde, doordat er
meer zuurstof door het bloed vervoerd wordt. Bij doping wordt er gebruik gemaakt van EPO
(erytropoëtine).
A-vO2-verschil
Het arterioveneus zuurstofverschil is te bepalen door het zuurstofgehalte in de vene af te
trekken van het zuurstofgehalte in de arterie. Stel er gaat voor 99% zuurstof in en 10% mee
terug dan is het a-vO2 verschil: 99 – 10 = 89. Bij inspanning wordt er meer zuurstof in de
spier verbruikt. Het arterioveneus zuurstofverschil gaat dus omhoog.
VO2-max
Het maximale aerobe vermogen. Dit wordt uitgedrukt in liters zuurstof per minuut.
Mitochondriën
Energiefabriekjes, zie vorig toetsdoel.