Transport
Ledlampjes voorkomen hartritmestoornissen
De meest voorkomende hartritmestoornis is boezemfibrilleren. De stoornis komt veel
voor bij ouderen. Onderzoeker Daniël Pijnappels werkt aan een therapie die
gebruikmaakt van ledlampjes. Hartspiercellen vormen – net als neuronen – aan
elkaar gekoppelde banen die impulsen kunnen geleiden. Die impulsen veroorzaken
het samentrekken van hartspiercellen. In principe kunnen hartspiercellen impulsen in
twee richtingen geleiden, maar als gevolg van een refractaire periode na het
optreden van een actiepotentiaal gebeurt dat niet. Zo ontstaan er regelmatige
spiersamentrekkingen die zich in een bepaalde richting verplaatsen. Bij beschadiging
van hartspiercellen in een hartboezem kunnen impulsen wél de andere kant op
lopen. Hierdoor ontstaan onregelmatige en ongecoördineerde samentrekkingen: het
boezemfibrilleren. In de afbeelding is het impulsverloop bij een normale hartslag en
bij boezemfibrilleren schematisch weergegeven, met daaronder de bijbehorende
elektrocardiogrammen (ECG).
Bij boezemfibrilleren kunnen bloedstolsels ontstaan als gevolg van de beperkte
doorstroming in het hart. Daardoor is er een verhoogd risico op een beroerte
(herseninfarct).
1. Kan een herseninfarct veroorzaakt worden door een stolsel gevormd in de
linkerboezem, in de rechterboezem of zijn beide mogelijk?
A alleen in de linkerboezem
B alleen in de rechterboezem
C beide zijn mogelijk
,Het spierweefsel van de boezems wordt
door een bindweefseltussenschot
gescheiden van het spierweefsel van de
kamers. Bindweefsel is een slechte
geleider van elektrische impulsen. In het
bovenaanzicht van een hart waarvan de
boezems niet getekend zijn (zie
afbeelding), is het lichtgekleurde
bindweefsel te zien.
Drie momenten in de hartcyclus zijn:
1 het einde van de hartpauze
2 het midden van de boezemsystole
3 het midden van de kamersystole
2. Op welk van deze momenten komt de stand van de kleppen overeen met die
in de afbeelding?
A alleen op moment 1
B alleen op moment 2
C alleen op moment 3
D zowel op moment 1 als 2
E zowel op moment 1 als 3
F zowel op moment 2 als 3
Dankzij het bindweefseltussenschot en de AV-knoop daarin blijft de pompfunctie van
de hartkamers tijdens boezemfibrilleren grotendeels behouden.
3. Beschrijf hoe dankzij het bindweefseltussenschot en de AV-knoop de
pompfunctie van de hartkamers tijdens boezemfibrilleren behouden blijft.
Hartwerking
4. Wanneer zijn zowel de hartkleppen tussen de boezems en de kamers, als de
kleppen aan het begin van de grote slagaders open (bij een normaal werkend
hart)?
A Tijdens de samentrekking van de boezems
B Tijdens de samentrekking van de kamers
C Tijdens de rustpauze van het hart
D Nooit
, Als men de verandering van het volume van de hartkamers in een grafiek uitzet,
ontstaat bovenstaande curve. In deze curve kan men fase 1 en 2 onderscheiden.
5. Gedurende fase 1 wordt bloed gepompt _______
A vanuit beide boezems naar beide kamers
B vanuit de rechterkamer naar de longen
C vanuit de linkerkamer naar de rest van het lichaam
D vanuit beide kamers naar het lichaam
Bij de werking van het hart kunnen drie fasen onderscheiden worden:
1) samentrekking van de boezems
2) samentrekking van de kamers
3) rustfase
Bij een bepaalde hartafwijking sluiten de kleppen tussen de boezem en kamer in de
linker harthelft niet goed.
6. Tijdens welke fase of fasen in de werking van het hart zal deze afwijking zijn
invloed het duidelijkst doen gelden?
A tijdens de rustfase
B tijdens de samentrekking van de kamers
C tijdens de samentrekking van de boezems
D tijdens de samentrekking van de kamers en tijdens de samentrekking van
de boezems