De beginselen van attributie, subsidiariteit en evenredigheid:
Doel: het beperken van de bevoegdheden van de EU
Attributiebeginsel (art. 4 lid 1 jo. Art. 5 lid 1+2 VEU)
o Unie kan alleen optreden als daarvoor de bevoegdheid is te vinden (rechtsgrond) in
een verdrag.
o Dit om ervoor te zorgen dat de Unie niet optreedt waarvoor het geen bevoegdheid
heeft (inhoudelijke waarborgen) en of zij niet bepaalde wetgevingsprocedures aan
de kant zetten.
o Implied powers: De Unie is bevoegd extern op te treden op terreinen waar geen
expliciete externe bevoegdheid is opgenomen in het Werkingsverdrag, maar een
dergelijke bevoegdheid als het ware besloten ligt in een interne bevoegdheid.
Subsidariteitsbeginsel (art. 5 lid 3 VEU jo. Art 3 + 4 VWEU)
o Als de EU bevoegd is, is de vraag of de Unie ook daadwerkelijk gebruik dient te
maken van die bevoegdheid.
o Subsidiariteitstoets:
De doelstellingen van het optreden kunnen niet voldoende door de lidstaten
worden verwezenlijkt
De Unie kan deze beter verwezenlijken
Evenredigheidsbeginsel (proportionaliteitsbeginsel) (art. 5 lid 4 VEU)
o Het optreden van de Unie mag niet verder gaan dan wat voor het bereiken van de
doelstelling noodzakelijk is.
o 3 subbeginselen:
Causaliteit/geschiktheid van de maatregel
Noodzakelijkheidsvereiste (Deense Flessen)
Belangenafweging publiek belang en interne markt
Loyaliteitsbeginsel: (art. 4 lid 3 VEU)
Lidstaten mogen niet handelen in strijd met (de geest van) de verdragen en geldt dus voor
het VEU, VWEU en al het andere Europees recht
Constitutioneel-institutioneel loyaliteitsbeginsel:
o De formele verhouding tussen lidstaten, instellingen van de Unie onderling en de
Unie zelf. Ze moeten de regels volgen, richtlijnen omzetten op de juiste manier,
maar mogen geen maatregelen nemen die het recht van de Unie kunnen frustreren.
De lidstaten dienen daarnaast elkaar ook te helpen.
Materieel loyaliteitsbeginsel:
o Hierbij wordt gedoeld op de rechtspraak van het Hof waarbij de werkingssfeer van
de materiele bepalingen van het werkingsverdrag is opgerekt.