Diagnostische toets
1 Microstructuren
1 Van fluor komen op aarde geen isotopen voor. Bij alle andere atoomsoorten wel.
a Beschrijf de bouw van een fluoratoom volgens het atoommodel van Bohr.
b Geef het massagetal en de atoommassa van fluor. Leg uit wat het verschil is tussen de
begrippen.
Van broom komen op aarde twee isotopen voor.
c Leg uit wat het verschil is tussen deze twee isotopen.
d Bereken op drie decimalen nauwkeurig de relatieve atoommassa van Broom.
2 Cl2, Br2 en I2 zijn halogenen. De smeltpunten van deze stoffen zijn respectievelijk: 172 K,
266 K en 387 K.
a Verklaar het verschil in smeltpunt tussen de drie stoffen.
Halogenen kunnen ook verbindingen vormen met zilver: AgCl, AgBr en AgI.
b Wat bepaalt de hoogte van de smeltpunten van deze drie stoffen?
c Verwacht je dezelfde oplopende trend als voor de halogenen? Licht je antwoord toe.
d Hoeveel elektronen bevat een broomatoom dat zich bevindt in een broommolecuul?
Licht je antwoord toe.
e Hoeveel elektronen bevat een broomdeeltje dat zich bevindt in AgBr? Licht je
antwoord toe.
3 Ethanol (alcohol) is een veel gebruikte drug. Het is goed oplosbaar in water.
a Geef de molecuulformule van ethanol.
b Welk(e) type(n) binding(en) zal (zullen) bij het oplossen verbroken worden?
c Teken hoe ethanolmoleculen zich tussen de watermoleculen bevinden. Teken ten
minste twee ethanolmoleculen en drie watermoleculen.
Ethanol wordt door het bloed naar de lever getransporteerd, waar het wordt afgebroken.
d Welk(e) type(n) binding(en) zal (zullen) dan worden verbroken? Licht je antwoord
toe.
4 Geef de formule van onderstaande stoffen:
a calciumfluoride
b koolstofdisulfide
c difosforpentaoxide
d aluminiumsulfaat
5 Geef de naam van onderstaande stoffen:
a N2O4
b MgI2
c CO
d Na2CO3
1
,Nova Scheikunde 4 vwo | gymnasium Hoofdstuk 1 Diagnostische toets
6 De molmassa wordt uitgedrukt in aantal u.
a Wat stelt de eenheid u voor?
b Bereken de molmassa van:
1 methaan, CH4;
2 waterstofperoxide, H2O2;
3 glucose, C6H12O6;
4 zwaveltrioxide, SO3.
c Bereken voor elk van de stoffen bij vraag b hoeveel mol zich in 1,00 gram zuivere stof
bevindt.
d Bij welke van de stoffen bevindt zich het meeste mol zuurstofatomen in 1,00 gram
zuivere stof? Licht je antwoord toe met een berekening.
7 De formule van een metaaloxide kan weergegeven worden als X2O3. Verder is gegeven dat het
massapercentage zuurstof 47,1% is. Welk metaal is X? Geef je berekening.
8 Zilver is een edelmetaal.
a Wanneer noemt men een metaal een edelmetaal?
Een nadeel van zilver is dat het erg zacht is; het vervormt gemakkelijk. Om het sterker te
maken, wordt aan zilver vaak een kleine hoeveelheid (7,5%)koper toegevoegd. Deze vorm van
zilver wordt sterling zilvergenoemd.
b Leg aan de hand van de microstructuur van sterling zilver uit hoe toevoeging van
koper de vervormbaarheid doet afnemen.
Zilver wordt niet alleen toegepast in sieraden maar ook in elektrische circuits. Zilver oxideert
langzamer dan koper, maar sneller dan goud. Blootgesteld aan lucht zal uiteindelijk
zilveroxide ontstaan.
c Geef de reactievergelijking voor het ontstaan van zilveroxide uit zilver en zuurstof.
d Leg uit dat het oxideren van zilver in elektrische circuits de werking van het circuit
niet ten goede komt.
9 Polonium-210 is het radioactieve element waarmee KGB-agent Alexander Litvinenko om het
leven werd gebracht. Po-210 komt in zeer kleine hoeveelheden (0,1 massa-ppb) voor in
uraniumerts. Po-210 wordt gevormd tijdens het verval van uranium-238. Wanneer zich van
Po-210 een alfadeeltje afsplitst, ontstaat het stabiele lood-206.
a Geef de kernsamenstelling van polonium-210.
b Geef de kernsamenstelling van lood-206.
c Leid uit je antwoorden van vraag a en b af wat een alfadeeltje is.
Polonium is zeer giftig. Een dosis van 50 nanogram is al dodelijk.
d Bereken hoeveel kg uraniumerts nodig is om een dodelijke dosis Po-210 te
vervaardigen.
e Uit hoeveel Po-210 deeltjes bestaat een dodelijke dosis polonium?
2
, Nova Scheikunde 4 vwo | gymnasium Hoofdstuk 1 Diagnostische toets uitwerkingen
Diagnostische toets
1 Microstructuren
Uitwerkingen
1 a In de kern bevinden zich negen protonen en tien neutronen. Om de kern bevinden zich
twee elektronenschillen. In de eerste schil bevinden zich twee elektronen en in de tweede schil
zeven.
b Het massagetal van fluor is 19. Dit is het aantal protonen en neutronen bij elkaar
opgeteld. Dit is een telwaarde. De atoommassa van fluor is 18,99840 u. Dit is de werkelijke
massa van een fluoratoom. De atoommassa is een meetwaarde.
c Br-79 bevat twee neutronen minder in de kern dan Br-81.
50,5 78,91834 49,5 80,91629
d 79,907
100
2 a Het smeltpunt van moleculen wordt bepaald door de sterkte van de
molecuulbindingen. De vanderwaalsbinding wordt sterker naarmate de molecuulmassa groter
wordt. De molecuulmassa van jood is het grootst en van chloor het kleinst.
b Het smeltpunt van zouten wordt bepaald door de sterkte van de ionbinding. Deze
hangt samen met de lading en grootte van de ionen.
c Alle ionen in de drie zilverzouten hebben een lading van 1+ of 1–. Op basis van de
verhoudingsformules kun je niet uitgaan van een oplopende trend in de smeltpunten.
d De atomen in een broommolecuul zijn neutraal. Er zijn dus evenveel elektronen als
neutronen, dus 35.
e Het bromide-ion is eenwaardig negatief. Het aantal elektronen is 35 + 1 = 36.
3 a C2H6O
b vanderwaalsbindingen en waterstofbruggen
c
d Wanneer een molecuul wordt afgebroken gaan de moleculen kapot. Hierbij worden
atoombindingen verbroken.
4 a CaF2
b CS2
c P2O5
d Al2(SO4)3
5 a distikstoftetraoxide
b magnesiumjodide
c koolstofmono-oxide
d natriumcarbonaat
1