Hoorcollege 1
Theorie en empirisch onderzoek
Basis ligt in de empirie systematische observaties in de praktijk
Algemeen geldende relaties en verbanden
Versimpeling (partieel, selectief)
Begrijpen en doorgronden organisatie(-problemen)
Inspelen organisatie(-problemen)
Managementfuncties: pre-scriptief
Voorschrijven, wat horen de managers te doen?
Managementrollen: de-scriptief
Beschrijven, wat doen managers feitelijk?
Organisatie als politiek systeem
- Stakeholders (partijen) met verschillende belangen
- Dominante coalitie
Conflict, macht en politiek
Organisatie als politieke omgeving = partijenmodel
Organisatie als harmonieuze eenheid = systeemmodel
Aanvullende perspectieven (Mastenbroek)
Dubbelkarakter van organisaties
Gezonde spanning partijen en harmonieus karakter organisatie
Structuur
Structuurvormen in jaar 1 organische vs mechanistische vormen
functioneel / divisie / matrix vormen
Structuurvormen in jaar 2 Mintzberg (1980): configuraties
Anand en Daft (2007): organisatievormen in de tijd
Contingentietheorie: one best way
o Contigenties = omstandigheden
o Fit organisatiestructuur ↔ contingenties
,Omgeving: Contingenties en organisatie ecologie
> Samenhang tussen bedrijven en hun omgeving
Wet- en regelgeving
- Overheden handhaven uitstoot-regels
Bronafhankelijkheid
- Klanten zijn boos na schandaal, vertrouwen is geschaad
Partnership designs (Anand & Daft)
- Audi als onderdeel van de volkswagen groep
> Samenhang tussen soorten en hun omgeving
Disruptieve innovaties
- Elektrisch rijden
- Zelfsturende auto
- Uber in de taxi branche
, Hoorcollege 2
Structureren van groepswerk
Ontwerpvariabelen
Specialisatie
Formalisatie
Training
Opdelen in afdelingen
o Omvang
o Soort: functioneel vs product/markt indeling
Planning
Liaison verbanden
Decentralisatie
Specialisatie van werkzaamheden
Verticaal: controle en verantwoordelijkheid taken
Horizontaal: aantal en breedte taken
Decentralisatie van beslissingsbevoegdheid
Verticaal: verdeelt binnen de management lijn
Horizontaal: verdeelt tussen staf en management
Coördinatiemechanismen
Directe supervisie
Onderlinge afstemming
Standaardisatie van werkprocessen
Standaardisatie van vaardigheden
Standaardisatie van output
Mintzberg’s configuratie benadering: wat bepaalt de structuur?
1. Congruentie hypothese structuur reflecteert situatie
2. Configuratie hypothese structuur behoeft samenhang tussen ontwerpvariabelen
3. Uitgebreide configuratie hypothese structuur behoeft samenhang tussen ontwerpvariabelen én
contingentiefactoren
Configuratiekenmerken:
o Belangrijkste ontwerpvariabelen (in het bijzonder decentralisatie)
o Dominant coördinatiemechanisme
o Centraal organisatieonderdeel (macht)
o Overige contingentiefactoren (denk aan: leeftijd, omvang, technische systemen, omgeving)
Centrale organisatieonderdelen (basic parts)
1. Strategische top: richting door centralisatie
2. Middenmanagement: concentratie door autonome eenheden (product/markt indeling)
3. Technostaven: efficiëntie door standaardisatie
4. Ondersteunende staven: innovatie door samenwerking
5. Uitvoerende kern: professionalisering door autonomie van individu
Simple structure = strategische top
Machine bureaucracy = technostaven
Divisionalized form = middenmanagement
Professional bureaucracy = uitvoerende kern
Adhocracy = ondersteundende staven
Theorie en empirisch onderzoek
Basis ligt in de empirie systematische observaties in de praktijk
Algemeen geldende relaties en verbanden
Versimpeling (partieel, selectief)
Begrijpen en doorgronden organisatie(-problemen)
Inspelen organisatie(-problemen)
Managementfuncties: pre-scriptief
Voorschrijven, wat horen de managers te doen?
Managementrollen: de-scriptief
Beschrijven, wat doen managers feitelijk?
Organisatie als politiek systeem
- Stakeholders (partijen) met verschillende belangen
- Dominante coalitie
Conflict, macht en politiek
Organisatie als politieke omgeving = partijenmodel
Organisatie als harmonieuze eenheid = systeemmodel
Aanvullende perspectieven (Mastenbroek)
Dubbelkarakter van organisaties
Gezonde spanning partijen en harmonieus karakter organisatie
Structuur
Structuurvormen in jaar 1 organische vs mechanistische vormen
functioneel / divisie / matrix vormen
Structuurvormen in jaar 2 Mintzberg (1980): configuraties
Anand en Daft (2007): organisatievormen in de tijd
Contingentietheorie: one best way
o Contigenties = omstandigheden
o Fit organisatiestructuur ↔ contingenties
,Omgeving: Contingenties en organisatie ecologie
> Samenhang tussen bedrijven en hun omgeving
Wet- en regelgeving
- Overheden handhaven uitstoot-regels
Bronafhankelijkheid
- Klanten zijn boos na schandaal, vertrouwen is geschaad
Partnership designs (Anand & Daft)
- Audi als onderdeel van de volkswagen groep
> Samenhang tussen soorten en hun omgeving
Disruptieve innovaties
- Elektrisch rijden
- Zelfsturende auto
- Uber in de taxi branche
, Hoorcollege 2
Structureren van groepswerk
Ontwerpvariabelen
Specialisatie
Formalisatie
Training
Opdelen in afdelingen
o Omvang
o Soort: functioneel vs product/markt indeling
Planning
Liaison verbanden
Decentralisatie
Specialisatie van werkzaamheden
Verticaal: controle en verantwoordelijkheid taken
Horizontaal: aantal en breedte taken
Decentralisatie van beslissingsbevoegdheid
Verticaal: verdeelt binnen de management lijn
Horizontaal: verdeelt tussen staf en management
Coördinatiemechanismen
Directe supervisie
Onderlinge afstemming
Standaardisatie van werkprocessen
Standaardisatie van vaardigheden
Standaardisatie van output
Mintzberg’s configuratie benadering: wat bepaalt de structuur?
1. Congruentie hypothese structuur reflecteert situatie
2. Configuratie hypothese structuur behoeft samenhang tussen ontwerpvariabelen
3. Uitgebreide configuratie hypothese structuur behoeft samenhang tussen ontwerpvariabelen én
contingentiefactoren
Configuratiekenmerken:
o Belangrijkste ontwerpvariabelen (in het bijzonder decentralisatie)
o Dominant coördinatiemechanisme
o Centraal organisatieonderdeel (macht)
o Overige contingentiefactoren (denk aan: leeftijd, omvang, technische systemen, omgeving)
Centrale organisatieonderdelen (basic parts)
1. Strategische top: richting door centralisatie
2. Middenmanagement: concentratie door autonome eenheden (product/markt indeling)
3. Technostaven: efficiëntie door standaardisatie
4. Ondersteunende staven: innovatie door samenwerking
5. Uitvoerende kern: professionalisering door autonomie van individu
Simple structure = strategische top
Machine bureaucracy = technostaven
Divisionalized form = middenmanagement
Professional bureaucracy = uitvoerende kern
Adhocracy = ondersteundende staven