Gemeenschappelijke functies van alle levende wezens:
Alle organismen, behalve virussen, hebben één kernmerk: ze zijn opgebouwd uit één of meerdere
cellen.
Cel = kleinste functionele eenheid
Gemeenschappelijke functies:
• Reactievermogen (prikkels): reactie op veranderingen in onmiddellijke omgeving
➔ Korte of lange termijn aanpassing
• Groei: Toename door celdeling, of groei cel (eencelligen)
• Voortplanting: nieuwe generaties zelfde organisme
• Beweging: inwendig transport of voortbeweging uitwendig
• Metalbolisme (stofwisseling): complexe chemische reacties om energie te leveren voor
groei, voortplanting, beweging, synthese eiwitten, … Rechtressks met omgeveing
(eencelligen) of via spijsvertering
TAXONOMIE = wetenschap die zich bezighoudt met het indelen van organismen
in TAXA (taxon)
NOMENCLATUUR = geen wetenschap maar wel een set regels die aangeeft welke
naam voor een taxon gebruikt moet/mag worden
Soort (laagste niveau) = onderling voortplanten en nakomelingen die vruchtbaar
zijn
Vb. Paard en ezel => muilezel = niet vruchtbaar -> paard en ezel zijn niet van
dezelfde soort!
Geslacht = dieren van verschillende soort maar toch gelijkende kenmerken
Vb. panter en tijger hebben geen vruchtbare
nakomelingen maar wel gelijkaardige
eigenschappen
Geslachtsnaam eerst: panthera en dan soort
Familie = groeperen de geslachten met overeenkomstige kenmerken
, Vb. behoren tot de familie Felidae (=katachtigen)
Orde = roofdieren
Klasse = zoogdieren
• Zoogdieren: Mammalia
• Vogels: Aves
• Reptielen: Reptilia
• Amfibiën: Amphibia
• Vissen: Pisces
Hoofdafdeling = gewervelden
Rijk = dieren
3 domeinen:
levensboom = toont verwantschappen,
gemeenschappelijke voorouder, elke
aftakkingspunt
Endosymbiont theorie = bacterie aan de basis
ontstaan mitochondriën/chloroplasten
Elk domein omvat verschillende rijken
Prokaryoot (vroeger: moneren) = bacteria en archae (speciale membraanstructuur, beter bestand
tegen extreme omstandigheden vb warmwaterbron, zoutmeren)
Eukarya = animalia, fungi, plantae, protista
Evolutie van de taxonomie:
,Supergroepen:
• Unikonta = animalia en fungi
• Excavata
• Chromalveolata
• Archauplastide = viridiplantae en rhodophytae (= landplanten en algen)
De voedselkringloop
Ecosysteem = afgebakende geografische eenheid die gekenmerkt wordt door wisselwerkingen
tussen alle organismen en de abiotische omgeving (=lucht, water, licht, temperatuur, ..)
Het functioneren van elk ecosysteem is gebaseerd op een kringloop:
ETEN OF GEGETEN WORDEN!
Recycling van materiaal = afbraak organisch materiaal naar anorganische bouwstenen en opbouw
van organisch materiaal uit anorganische bouwstenen
Herbivoren = planteneters (eten enkel
plantaardig materiaal)
Carnivoren = vleeseters
Omnivoren = beide, zowel planten als
dieren
Detrivoren = dood materiaal
, Celstructuur en functie
Organisatieniveaus: samenwerking organenstelsel
Chemisch (Ho 2): atomen, moleculen, vorm, interacties
↓
Cel: interactie moleculen geeft vorming grotere structuren met specifiek functie (vb spierfunctie)
↓
Weefsel: zelfde celtype die samenwerken voor bepaalde functie
↓
Orgaan: 2 of meerdere verschillinde weefsels met specifieke functie (vb hartspierweefsel)
↓
Orgaanstelsel: samenwerking organen, hart trekt samen, bloed circuleert, bloedvatenstelsel
Een cel …
• Is de bouwsteen van een organisme
• Is de kleinste functionele eenheid van leven
• Wordt gevormd door deling uit bestaande cellen
• Wordt homeostatisch gehandhaafd (= cel zal streven naar intern evenwicht)
Cytologie = leer van de cel
Homeostase = streven naar een intern evenwicht
Homeostase blijft gehandhaafd doordat
verschillende fysiologische mechanismen
samenwerken om potentiele gevaren te
voorkomen