1. Inleiding
1.1. Veelgebruikte terminologie
PLOT: De gebeurtenissen, het letterlijke verhaal.
STORY: Gevoelens die vrijkomen door de gebeurtenissen. Het thematische verhaal.
Productieproces/post-productie:
BEELDLOCK: Niet meer aan de pure montage van de beelden komen, maar starten met afwerking.
1.2. ATSC - de montage - auteur
, Taken van een regisseur:
Werkt altijd close samen met de monteur. Bekende duo’s:
- Quinten Tarantino & Sally Menke (Pulp Fiction, Kill Bill)
- Christopher Nolan & Lee Smith (Dunkirk)
- Martin Scorsese & Thelma Schoonmaker (Aviator, Departed, Raging Bull)
- Steven Spielberg & Michael Kahn (Saving private ryan, schindlerslist, Indiana Jones)
1.3. Componenten van de cursus
KUNST: INTUITIE: Onbewust toepassen van montagewijsheid. Monteren op gevoel.
KUNDE: ANALYSE: Het analyseren van beelden en cuts. Als de montage niet werkt analyseren waarom.
PRINCIPES ≠ REGELS: AV content maken is geen wiskunde. Principes naleven levert niet altijd een goede
film op. Het is veel belangrijker om de principes te gebruiken en ze dan al dan niet te gaan toepassen.
Het is een contextueel begrip. Je moet weten wanneer je de principes moet toepassen.
2de/3de VISIE: Montage principes en bestaande films (eindwerk).
Inspiratie opdoen is niet hetzelfde als kopiëren.
KENNIS ≠ WIJSHEID
WIJSHEID = TOEGEPASTE KENNIS: Weten op welke momenten je de principes al dan niet toepast.