Samenvatting grieks
H1 + h2 = in deze hoofdstukken word niks bijzonders behandelt qua grammatica
H3:
- Kijk voor de rijtjes van de zelfstandige naamwoord: -a/e- groep en -o- groep op blz.
28
- Hieronder de naamvallen met bijbehorende functies
naamval functie
Nominativus 1. onderwerp
2. naamwoordelijk deel
Genitivus 1. bezit (van)
2. als aanvulling (+gen)
3. na voorzetsels (+gen)
Dativus 1. als aanvulling (+dat)
2. na voorzetsels (+dat)
3. meewerkend voorwerp (aan/voor)
4. in bepalingen (middel/ instrument/manier: met; reden/oorzaak: door/uit)
5. bezit (dat + esti (v)/ eisi (v)
accusativus 1. lijdend voorwerp
H4:
- de rei regel: de regel is dat in de vrouwelijke vormen de uitgang meestal een -- is,
maar na een -,-,- wordt dat een --.
- Gebruik bijvoeglijk naamwoord: 1. Wanneer er een lidwoord aanwezig is, staat het
bijvoeglijk naamwoord tussen het lidwoord en zelfstandig naamwoord. Het kan ook
na het zelfstandig naamwoord staan met herhaling van het lidwoord. Wanneer er
geen lidwoord aanwezig is, kan het bijvoeglijk naamwoord zowel voor als achter het
zelfstandig naamwoord staan. 2. Het kan ook staan als naamwoordelijk deel van het
gezegde, in dit geval past het bijvoeglijk naamwoord zich in naamval en geslacht aan
bij het onderwerp.
- Kijk voor de rijtjes van het bijvoeglijk naamwoord naamwoord op blz. 33
H5: in dit hoofdstuk word niks bijzonders qua grammatica behandelt.
H1 + h2 = in deze hoofdstukken word niks bijzonders behandelt qua grammatica
H3:
- Kijk voor de rijtjes van de zelfstandige naamwoord: -a/e- groep en -o- groep op blz.
28
- Hieronder de naamvallen met bijbehorende functies
naamval functie
Nominativus 1. onderwerp
2. naamwoordelijk deel
Genitivus 1. bezit (van)
2. als aanvulling (+gen)
3. na voorzetsels (+gen)
Dativus 1. als aanvulling (+dat)
2. na voorzetsels (+dat)
3. meewerkend voorwerp (aan/voor)
4. in bepalingen (middel/ instrument/manier: met; reden/oorzaak: door/uit)
5. bezit (dat + esti (v)/ eisi (v)
accusativus 1. lijdend voorwerp
H4:
- de rei regel: de regel is dat in de vrouwelijke vormen de uitgang meestal een -- is,
maar na een -,-,- wordt dat een --.
- Gebruik bijvoeglijk naamwoord: 1. Wanneer er een lidwoord aanwezig is, staat het
bijvoeglijk naamwoord tussen het lidwoord en zelfstandig naamwoord. Het kan ook
na het zelfstandig naamwoord staan met herhaling van het lidwoord. Wanneer er
geen lidwoord aanwezig is, kan het bijvoeglijk naamwoord zowel voor als achter het
zelfstandig naamwoord staan. 2. Het kan ook staan als naamwoordelijk deel van het
gezegde, in dit geval past het bijvoeglijk naamwoord zich in naamval en geslacht aan
bij het onderwerp.
- Kijk voor de rijtjes van het bijvoeglijk naamwoord naamwoord op blz. 33
H5: in dit hoofdstuk word niks bijzonders qua grammatica behandelt.