Scheikunde voor de PWW (1)
Mirthe 3Ga en Lieke en Cleo
HOOFDSTUK 1
§1:
Stofeigenschappen: de eigenschappen van een zuivere stof
Vb: kookpunt, smeltpunt, dichtheid, hardheid, fase, oplosbaarheid etc.
Rekenen met dichtheid:
ρ=mV
-> ρ=dichtheid
m=massa
V=volume
§2:
Deeltjesmodel: de theorie die ervan uitgaat dat
alle stoffen zijn opgebouwd uit een bepaald type
moleculen die samen de eigenschappen van die
stof bepalen.
De bewegingsenergie bepaalt de
temperatuur van een stof (hoe heftiger
de moleculen bewegen, hoe hoger de temperatuur).
Moleculen trekken elkaar aan (hoe dichter de moleculen bij elkaar zitten, hoe sterker
de aantrekkingskracht).
Macroniveau: het niveau van alles wat je waarneemt
Microniveau: een beschrijving op het niveau van moleculen
Moleculen: de kleinste deeltjes waaruit stoffen bestaan
Fases en de moleculen
Vast De moleculen zitten dicht tegen elkaar aan; de aantrekkingskracht is sterk.
Vloeibaar De moleculen zitten nog steeds dicht tegen elkaar aan, maar ze kunnen wel
een beetje bewegen; de aantrekkingskracht is wat minder sterk dan in de
vaste fase.
Gas De aantrekkingskrachten zijn te klein tussen de moleculen om ze bij elkaar te
houden. De moleculen zijn relatief ver van elkaar verwijderd en ze gaan alle
kanten op.
§3:
Suspensie: vloeistof waarin kleine brokjes van een vaste stof zweven. Een suspensie is altijd
troebel. Vb: sinaasappelsap, chocolademelk, verf etc.
Emulsie: een vloeistof waarin druppeks van een andere vloeistof zweven. Deze twee
vloeistoffen kunnen niet in elkaar oplossen. Vb: melk(producten), olie in water etc.
Oplossing: een vloeistof waarin een andere stof aanwezig is. Deze stof is in losse moleculen
uit elkaar gevallen. Een oplossing is een homogeen mengsel.
Massapercentage berekenen (massa%):
Massapercentage stof=massa stof/massa mengsel100%
Volumepercentage berekenen (volume%):
Volumepercentage stof=volume stof/volume mengsel100%
, §4:
Scheidingsmethode Soort mengsel Berust op verschil inToepassing
Filtreren Suspensie Deeltjesgrootte Koffiezetten
Rook Mondkapje
Bezinken Suspensie Dichtheid Het zuiveren van
Emulsie slootwater
Centrifugeren Suspensie Dichtheid Bloed
Emulsie centrifugeren
Indampen Oplossing vaste stof Kookpunt Zoutwinning
zeewater
Destilleren Homogeen Kookpunt Alcohol uit wijn
vloeistofmengsel halen
Extraheren Elk type mengsel Oplosbaarheid Theezetten
Adsorberen Oplossingen en Aanhechtingsvermogen Gasmasker
gasmengsels
HOOFDSTUK 2
§1:
Chemische reactie: de moleculen van de beginstoffen verdwijnen en nieuwe moleculen van
het reactieproduct worden gevormd. Er ontstaan dus nieuwe stoffen met andere
eigenschappen.
Verbinding: een molecuul dat bestaat uit verschillende elementen.
Atomen: de bouwstenen van moleculen.
Atoombindingen: waarmee de atomen in een molecuul met elkaar verbonden zijn.
-> Tijdens een chemische reactie veranderen molecuulsoorten, maar er gaan geen atomen
verloren. Er ontstaan ook geen nieuwe atomen.
Molecuulformule: geeft aan welke atoomsoorten en hoeveel atomen van elke soort in een
bepaald molecuul voorkomen.
Index: getal in een molecuulformule waarmee wordt aangegeven hoeveel atomen van een
bepaalde soort in een molecuul aanwezig zijn.
Elementen: stoffen met moleculen die maar uit één soort atomen bestaan.
Symbool: één of twee letters die worden gebruikt i.p.v. de naam van een element.
Systematische naam: de naam van een verbinding die volgens de vastgestelde regels is
opgesteld.
Triviale naam: deze naam voldoet niet aan de desbetreffende regels. Deze triviale namen
zijn ontstaan in het dagelijks spraakgebruik. Zo wordt H2O water genoemd en geen
diwaterstofmono-oxide.
-> Er zijn zeven elementen die uit twee-atomige moleculen bestaan (tabel 2).
Een ezelsbruggetje hiervoor: BrINClHOF.
Regels naamgeving verbinding:
1. De eerste atoomsoort in de molecuulformule krijgt de eigen naam.
2. De tweede atoomsoort in de molecuulformule krijgt de uitgang -ide. Zie de
afwijkingen in tabel 4.
3. In de systematische naam geef je per atoomsoort de aantallen atomen in die formule
aan met een Grieks telwoord (zie tabel 5). De uitzondering op deze regel is -mono,
behalve bij CO (koolstofmonoxide) en NO (stikstofmonoxide).
Mirthe 3Ga en Lieke en Cleo
HOOFDSTUK 1
§1:
Stofeigenschappen: de eigenschappen van een zuivere stof
Vb: kookpunt, smeltpunt, dichtheid, hardheid, fase, oplosbaarheid etc.
Rekenen met dichtheid:
ρ=mV
-> ρ=dichtheid
m=massa
V=volume
§2:
Deeltjesmodel: de theorie die ervan uitgaat dat
alle stoffen zijn opgebouwd uit een bepaald type
moleculen die samen de eigenschappen van die
stof bepalen.
De bewegingsenergie bepaalt de
temperatuur van een stof (hoe heftiger
de moleculen bewegen, hoe hoger de temperatuur).
Moleculen trekken elkaar aan (hoe dichter de moleculen bij elkaar zitten, hoe sterker
de aantrekkingskracht).
Macroniveau: het niveau van alles wat je waarneemt
Microniveau: een beschrijving op het niveau van moleculen
Moleculen: de kleinste deeltjes waaruit stoffen bestaan
Fases en de moleculen
Vast De moleculen zitten dicht tegen elkaar aan; de aantrekkingskracht is sterk.
Vloeibaar De moleculen zitten nog steeds dicht tegen elkaar aan, maar ze kunnen wel
een beetje bewegen; de aantrekkingskracht is wat minder sterk dan in de
vaste fase.
Gas De aantrekkingskrachten zijn te klein tussen de moleculen om ze bij elkaar te
houden. De moleculen zijn relatief ver van elkaar verwijderd en ze gaan alle
kanten op.
§3:
Suspensie: vloeistof waarin kleine brokjes van een vaste stof zweven. Een suspensie is altijd
troebel. Vb: sinaasappelsap, chocolademelk, verf etc.
Emulsie: een vloeistof waarin druppeks van een andere vloeistof zweven. Deze twee
vloeistoffen kunnen niet in elkaar oplossen. Vb: melk(producten), olie in water etc.
Oplossing: een vloeistof waarin een andere stof aanwezig is. Deze stof is in losse moleculen
uit elkaar gevallen. Een oplossing is een homogeen mengsel.
Massapercentage berekenen (massa%):
Massapercentage stof=massa stof/massa mengsel100%
Volumepercentage berekenen (volume%):
Volumepercentage stof=volume stof/volume mengsel100%
, §4:
Scheidingsmethode Soort mengsel Berust op verschil inToepassing
Filtreren Suspensie Deeltjesgrootte Koffiezetten
Rook Mondkapje
Bezinken Suspensie Dichtheid Het zuiveren van
Emulsie slootwater
Centrifugeren Suspensie Dichtheid Bloed
Emulsie centrifugeren
Indampen Oplossing vaste stof Kookpunt Zoutwinning
zeewater
Destilleren Homogeen Kookpunt Alcohol uit wijn
vloeistofmengsel halen
Extraheren Elk type mengsel Oplosbaarheid Theezetten
Adsorberen Oplossingen en Aanhechtingsvermogen Gasmasker
gasmengsels
HOOFDSTUK 2
§1:
Chemische reactie: de moleculen van de beginstoffen verdwijnen en nieuwe moleculen van
het reactieproduct worden gevormd. Er ontstaan dus nieuwe stoffen met andere
eigenschappen.
Verbinding: een molecuul dat bestaat uit verschillende elementen.
Atomen: de bouwstenen van moleculen.
Atoombindingen: waarmee de atomen in een molecuul met elkaar verbonden zijn.
-> Tijdens een chemische reactie veranderen molecuulsoorten, maar er gaan geen atomen
verloren. Er ontstaan ook geen nieuwe atomen.
Molecuulformule: geeft aan welke atoomsoorten en hoeveel atomen van elke soort in een
bepaald molecuul voorkomen.
Index: getal in een molecuulformule waarmee wordt aangegeven hoeveel atomen van een
bepaalde soort in een molecuul aanwezig zijn.
Elementen: stoffen met moleculen die maar uit één soort atomen bestaan.
Symbool: één of twee letters die worden gebruikt i.p.v. de naam van een element.
Systematische naam: de naam van een verbinding die volgens de vastgestelde regels is
opgesteld.
Triviale naam: deze naam voldoet niet aan de desbetreffende regels. Deze triviale namen
zijn ontstaan in het dagelijks spraakgebruik. Zo wordt H2O water genoemd en geen
diwaterstofmono-oxide.
-> Er zijn zeven elementen die uit twee-atomige moleculen bestaan (tabel 2).
Een ezelsbruggetje hiervoor: BrINClHOF.
Regels naamgeving verbinding:
1. De eerste atoomsoort in de molecuulformule krijgt de eigen naam.
2. De tweede atoomsoort in de molecuulformule krijgt de uitgang -ide. Zie de
afwijkingen in tabel 4.
3. In de systematische naam geef je per atoomsoort de aantallen atomen in die formule
aan met een Grieks telwoord (zie tabel 5). De uitzondering op deze regel is -mono,
behalve bij CO (koolstofmonoxide) en NO (stikstofmonoxide).