Aantekeningen voorgeschreven jurisprudentie Ondernemingsrecht,
onderdeel van de Master Onderneming & Recht (2020-2021)
Table of Contents
Week 2...............................................................................................................................4
Week 3...............................................................................................................................6
Week 4...............................................................................................................................9
Week 5.............................................................................................................................12
Week 6.............................................................................................................................15
Week 7.............................................................................................................................17
Week 8.............................................................................................................................24
Week 1
,HR 6 oktober 1989, NJ 1990/286 (Beklamel) ♦
P. 65 ro. 3.2. uitspraken ondernemingsrecht
Het arrest geeft de maatstaf voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van een bestuurder voor
de schulden van een RP die ook genoemd wordt in art 2:203 lid 3 BW.
De maatstaf die het hof (en bekrachtigd door de HR) hier aanlegt is als volgt:
Het gaat om de vraag of de bestuurder bij het aangaan van de ovk wist of er niet aan
behoefde te twijfelen dat de rp niet, of niet binnen een redelijke termijn aan haar
verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden aan de schade die een
derde als gevolg van deze wanprestatie zou leiden.
Het is een aansprakelijkheid ogv de onrechtmatige daad: 6:162 BW voor bestuurders.
Bestuurdersaansprakelijkheid ex.6:162 BW.
De bekende beklamel-norm: was de bestuurder bij het aangaan van de ovk wist dat, of
redelijkerwijze behoorde te begrijpen, dat Beklamel niet, of niet binnen een redelijke termijn,
aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die
wederpartij ten gevolge van die wanprestatie zou lijden.
HvJ EG 30 september 2003, NJ 2004/394 (Inspire Art)
blz. 753 ro. uitspraken ondernemingsrecht
Het gaat om een prejudiciële procedure. De feiten zijn als volgt. Een Engelse
vennootschap met een Nederlandse bestuurder. Volgens de KvK dient de
bestuurder ogv art 1 WFBV (nederlands nat recht) de internationale vennootschap
ook als internationale/buitenlandse vennootschap in te schrijven in het
handelsregister: vermelding dat het om een Engelse vennootschap gaat. Het
probleem is echter dat met een dergelijke inschrijving bepaalde vereisten van
toepassing worden (zie artt. 2 t/m 5 WFBV): eg. minimum kapitaal, persoonlijke
aansprakelijkheid bestuurder etc. De vraag die aan het hof wordt gesteld of dat deze
vereisten neergelegd in de WFVB niet een belemmering vormen op het recht van
vrijheid van vestiging: art 49 VWEU. Oftewel, laat art 49 VWEU nationale wetgeving
toe die vereisten stelt aan dergelijke buitenlandse vennootschappen die strenger zijn
dan in het land van vestiging.
HOF: een deel van de verplichtingen zijn in overeenstemming met de elfde richtlijn,
en omdat ze in overeenstemming zijn met de richtlijn vormen ze geen belemmering
voor de vrijheid van vestiging. Betekent nog niet direct dat ook de sanctie die staat
op schending verplichtingen toegestaan is. Het is aan de nationale rechter om te
oordelen of buitenlandse vennootschappen niet ongunstiger worden behandeld dan
Nederlandse vennootschappen. Is de conclusie dat er gesproken kan worden van
een nadeligere behandeling, dan is de sanctie niet toegestaan.
Vervolgens stelt het hof dat niet iedere verplichting uit WFBV ook staat in de elfde
richtlijn, en dat die daarmee wel een belemmering vormen op het vrijheid van
vestigingsrecht. Het gaat om:
minimumkapitaal
aansprakelijkheid bestuurders.
Omdat er ook geen rechtvaardigingsgrond bestaat voor deze nationale maatregelen,
zijn deze strijdig met EU recht. Enige uitzondering is de omstandigheid dat er sprake
is van bedrog of misbruik, dan is een beperking gerechtvaardigd.
HR 28 januari 2011, NJ 2011/167 (Staalbankiers/Elko Management) ♦
p. 1633 ro. 3.7 uitspraken ondernemingsrecht.
De strenge sanctie voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders bij het nalaten van
het inschrijven in de registers, wordt hier door de HR een grens aan gesteld. Het mag niet in
strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid; 6:2 lid 2 BW.
, Hoewel het een regel van dwingend recht is, kan de redelijkheid en billijkheid er toch voor
zorgen dat de regel buiten toepassing gelaten dient te worden. Het brengt wel mee dat hoge
eisen gesteld moeten worden aan de de motivering van het rechterlijke oordeel terzake.
onderdeel van de Master Onderneming & Recht (2020-2021)
Table of Contents
Week 2...............................................................................................................................4
Week 3...............................................................................................................................6
Week 4...............................................................................................................................9
Week 5.............................................................................................................................12
Week 6.............................................................................................................................15
Week 7.............................................................................................................................17
Week 8.............................................................................................................................24
Week 1
,HR 6 oktober 1989, NJ 1990/286 (Beklamel) ♦
P. 65 ro. 3.2. uitspraken ondernemingsrecht
Het arrest geeft de maatstaf voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van een bestuurder voor
de schulden van een RP die ook genoemd wordt in art 2:203 lid 3 BW.
De maatstaf die het hof (en bekrachtigd door de HR) hier aanlegt is als volgt:
Het gaat om de vraag of de bestuurder bij het aangaan van de ovk wist of er niet aan
behoefde te twijfelen dat de rp niet, of niet binnen een redelijke termijn aan haar
verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden aan de schade die een
derde als gevolg van deze wanprestatie zou leiden.
Het is een aansprakelijkheid ogv de onrechtmatige daad: 6:162 BW voor bestuurders.
Bestuurdersaansprakelijkheid ex.6:162 BW.
De bekende beklamel-norm: was de bestuurder bij het aangaan van de ovk wist dat, of
redelijkerwijze behoorde te begrijpen, dat Beklamel niet, of niet binnen een redelijke termijn,
aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die
wederpartij ten gevolge van die wanprestatie zou lijden.
HvJ EG 30 september 2003, NJ 2004/394 (Inspire Art)
blz. 753 ro. uitspraken ondernemingsrecht
Het gaat om een prejudiciële procedure. De feiten zijn als volgt. Een Engelse
vennootschap met een Nederlandse bestuurder. Volgens de KvK dient de
bestuurder ogv art 1 WFBV (nederlands nat recht) de internationale vennootschap
ook als internationale/buitenlandse vennootschap in te schrijven in het
handelsregister: vermelding dat het om een Engelse vennootschap gaat. Het
probleem is echter dat met een dergelijke inschrijving bepaalde vereisten van
toepassing worden (zie artt. 2 t/m 5 WFBV): eg. minimum kapitaal, persoonlijke
aansprakelijkheid bestuurder etc. De vraag die aan het hof wordt gesteld of dat deze
vereisten neergelegd in de WFVB niet een belemmering vormen op het recht van
vrijheid van vestiging: art 49 VWEU. Oftewel, laat art 49 VWEU nationale wetgeving
toe die vereisten stelt aan dergelijke buitenlandse vennootschappen die strenger zijn
dan in het land van vestiging.
HOF: een deel van de verplichtingen zijn in overeenstemming met de elfde richtlijn,
en omdat ze in overeenstemming zijn met de richtlijn vormen ze geen belemmering
voor de vrijheid van vestiging. Betekent nog niet direct dat ook de sanctie die staat
op schending verplichtingen toegestaan is. Het is aan de nationale rechter om te
oordelen of buitenlandse vennootschappen niet ongunstiger worden behandeld dan
Nederlandse vennootschappen. Is de conclusie dat er gesproken kan worden van
een nadeligere behandeling, dan is de sanctie niet toegestaan.
Vervolgens stelt het hof dat niet iedere verplichting uit WFBV ook staat in de elfde
richtlijn, en dat die daarmee wel een belemmering vormen op het vrijheid van
vestigingsrecht. Het gaat om:
minimumkapitaal
aansprakelijkheid bestuurders.
Omdat er ook geen rechtvaardigingsgrond bestaat voor deze nationale maatregelen,
zijn deze strijdig met EU recht. Enige uitzondering is de omstandigheid dat er sprake
is van bedrog of misbruik, dan is een beperking gerechtvaardigd.
HR 28 januari 2011, NJ 2011/167 (Staalbankiers/Elko Management) ♦
p. 1633 ro. 3.7 uitspraken ondernemingsrecht.
De strenge sanctie voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders bij het nalaten van
het inschrijven in de registers, wordt hier door de HR een grens aan gesteld. Het mag niet in
strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid; 6:2 lid 2 BW.
, Hoewel het een regel van dwingend recht is, kan de redelijkheid en billijkheid er toch voor
zorgen dat de regel buiten toepassing gelaten dient te worden. Het brengt wel mee dat hoge
eisen gesteld moeten worden aan de de motivering van het rechterlijke oordeel terzake.