1. Evolutie
• Vraag: waar komt alles vandaan.
• Godsdienstige verklaring <-> Wetenschappelijke verklaring
o Geven op een ander niveau verklaring
o Sluiten elkaar niet uit
1. Overzicht van de evolutiegedachte
1. De klassieke oudheid
• Voordien ook al bezig met dit onderwerp
• Nieuwe ideeën bouwen verder op oude
o Plato: soorten onveranderlijk
o Leerling Aristoteles: alles ontstaan uit 1 larve → alle bekende soorten
▪ Via kruising (hybridisatie) nieuwe soorten
2. Creationisten en intelligent design
• Visie creationisten
o Wereld + alles erop geschapen door God
o Scheppingsverhaal: toont hoe dit is gebeurd
o Macro-evolutie: soorten kunnen niet evolueren tot nieuwe soorten
▪ Mensen & apen niet dezelfde voorouders
o Micro-evolutie: wel veranderingen binnen de soort door natuurlijke variatie
▪ Bv. alle hondenrassen wel afstammen dezelfde hond
o Fossielen uitgestorven dieren = dieren Ark Noah misten bij de zondvloed
▪ Andere denken: aarde geschapen met fossielen erin (dieren nooit geleefd)
• Intelligent design
o Bij ontstaan & ontwikkeling leven een sturende kracht aanwezig
o Afstammen van eencellig organisme
▪ Intelligente ontwerper (God) heeft dit bedacht + stuurt evolutie
3. Lamarck en zijn voorlopers
• Idee: leven ontwikkelt zich tot prototypes → verder ontwikkelen tot complexe vormen
o Bv. bacteriën net ontstaan + gestart evolueren
• Soorten evolueren tot nieuwe soorten
o Maar er sterven gene uit
• Evolutie door 2 mechanismen
o Opeenstapeling van kleine afwijkingen tss ouders & nakomelingen
▪ Gestuurd dor interne kracht
o Overerfbaarheid van het tijdens het leven verworven kenmerk (= neolamarckisme)
▪ Kenmerk ontstaan: organisme vanuit behoefte in bepaalde omgeving nieuwe
organen/ eigenschappen krijgt door training
▪ Eigenschap doorgeven aan nakomelingen
▪ BV. voorouder giraf korte nek → nakomeling blijft nek strekken voor aan
eten te raken (blad) → nakomeling strekt meer & meer, zo nek langer
• Uit onderzoek
o Eencellige organismen bij stress → sneller muteren (anders niet)
1
, o Organismen bij stress (hongersnood, veranderend klimaat, …) → mutatie toelaten
o DNA-spellingchecker wordt geblokkeerd → meer mutaties → hieruit kiezen
o Genen dichtbij uiteinde chromosomen hogere kans op muteren
➔ Epigenetica: studie die zich hiermee bezig houdt
4. Darwinisme
Het ontstaan van de theorie
• Op reis voor onderzoek (planten & dieren naar huis sturen → verder onderzoek)
• Leest boek princeples of geology van Lyell
o Idee: aarde verandert door processen die vandaag ook nog plaatsvinden, maar zo
traag → niet kunt zien
o Darwin ontdekte dat dit bij planten & dieren ook zo was
• Leest boek Essay on principle of population
o Dieren, planten & mensen produceren meer nakomelingen dan dat er kunnen
overleven
o Continue proberen te oevrleven
o Hier Darwin idee uithalen: wie best is aangepast → overleven
• Bezoek aan Galapagoseilanden
o Op elk eiland andere soort/ type vink
o Idee: stammen af van 1 voorouder
• Gelovigen spotten met Darwin
o Geloofden niet dat ze afstamden van apen
De theorie
• Veel nakomelingen
o Veel sterven → hierdoor aantal soort gelijk blijven
o Sterven door onvoldoende eten, niet overleven in de veranderende omgeving, …
Onderlinge strijd tss individuen om te overleven
• Elk individu uniek, maar lijken op ouders
o Kenmerken overerfbaar
• Natuurlijke selectie
o Kenmerken voordeel opleveren in bepaalde omgeving → behouden
• Survival of the fittest
o = beter aangepast aan omgeving
o Niet sterkste!
o Deze zal het overleven (door natuurlijke selectie)
• Evolutie: stelselmatig & over verschillende generaties
• Darwin: variatie (verschil tss individuen) & selectie uit elkaar
o Variatie: gebeurt toevallig
o Selectie: gebeurt door omgeving
→Zo geen goede kenmerken MAAR goede kenmerken in een bepaalde omgeving
• Adaptatie
o Overerfbare veranderingen in gedrag, bouw of werking organisme → voordeel geven
in bepaald milieu
o Bv. overal bruine beren, behalve Noordpool → beter prooi vangen (voordeel)
Kroatië: witte beren → prooien lopen weg want zichtbaar (nadeel) → verdwijnen
• Seksuele selectie
o Mannelijk dier eigenschappen die vrouwtjes verleiden of ervoor te vechten
2
,• Vermengde overerving
o Nakomelingen mengeling beide ouders
• Monnik Gregor Mendel
o Grondlegger genetica/ erfelijkheidsprincipe
o Erfelijkheidsdeeltjes die volgens wetmatigheden zorgden voor bepaald uitzicht
o Voor elk kenmerk 2 versies erfelijkheidsdeeltjes (allelen)
▪ Splitsen tijdens voortplanting
▪ Jong krijgt van elk ouders allel
o Kenmerken onafh van elkaar geërfd
o Dominante & recessieve allelen
• Moderne synthese
o Combinatie theorie Darwin & Mendel
o Doorgeven eigen genen
o Seksuele selectie
▪ Vrouwtje oog beste mannetje → succesvolle nakomelingen
▪ Zo grootste kans eigen genen doorgeven
Voorbeelden
• Lezen p197-199
2. Soortvorming en soortconcept
• Hoe ontstaan soorten?
o Als subgroepen niet meer met elkaar voortplanten
o Bv. door geografische barrière
• Voorbeeld
o Ene helft bevolking voortplanten maanden juli-december
o Andere helft januari-juli
o Zo geen uitwisseling tussen groepen mogelijk → ontstaan 2 nieuwe soorten
3. Grote plaatje van de wetenschap
1. Inhoudelijk: big idea
• Organismen opgebouwde & geregeld door cellen
• Organismen vereisen energie en materialen
o Vaak afh van of in competitie met anderen
• Genetische informatie doorgegeven van ene generatie organismen op andere
• Diversiteit aan organismen, levend & uitgestorven, gevolg van evolutie
2. Perspectieven
• Systemen: onderzochten systeem van levende organismen & verklaring voor hun onstaan
• Patronen: via patronen verklaring vinden voor ontstaan verschillende soorten
• Oorzaken: al eeuwen op zoek oorzaak grote diversiteit levende dieren
3. Hoe wetenschap werkt
• Tijdelijkheid
o Wetenschap is nooit af
o Darwin nog niet 100% correct → betekent niet twijfel trekken/ verwerpen
o Wetenschap bouwt verder op eerdere kennis
• Empirisch
o Verzamelen van nauwkeurige data
3
, • Creativiteit
o Met een andere bril naar wereld kijken
• Theorie en wet
o Voor de ene theorie al meer bewijs dan voor andere
• Observaties en conclusies
o Obv waarnemingen conclusies trekken over evolutie organismen
• Sociale en culturele context
o Tijdens verlichting vnl nagedacht over evolutie (westerse wereld)
• Subjectiviteit
o Wetenschappers worstelen met geloof
2. Planten
1. Een plant herkennen als je ze ziet
• Woese: 6 rijken
• Kenmerken plant
o Planten = meercellige organismen met celkern
▪ In celkern chromosomen (erfelijk materiaal)
▪ Kernmembraan: scheidt hiermee celkern af van celplasma
▪ Celplasma: halfvloeibare massa rijk aan water en eiwitten
▪ Poriëren in kernmembraan: toe laten uitwisseling tss kern & celplasma
o Doen aan fotosynthese dankzij hun bladgroenkorrels → hierdoor plant autoroof
▪ Voorzien eigen voedsel
o Echte celwand
▪ Vezelig netwerk van cellulosedraden
▪ Rol stevigheid, vormvastheid & doorgang van stoffen
▪ Dierlijke cel GEEN celwand
o In celplasma een aantal celorganismen
▪ Celkern
▪ Mitochondriën: energiefabriekjes cel
▪ Ribosomen
▪ Vacuoles
▪ Plastiden: groene → bladgroenkorrels
2. Evolutie planten
• Afstammingsgeschiedenis waar kenmerken gedeeld worden met verwante soorten
• Evolutie in termen over aanpassingen:
o Planten die het beste aanpassen → plaatsje winnen in omgeving
• Evolutie bij planten pad geëffend voor diversiteit aan leven
• Door planten dat leven van water verplaatst is naar leven op land
o Al het leven oorspronkelijk onder water
▪ Want te taaie omstandigheden op land (vijandige omgeving)
▪ Het aan land komen bemoeilijkt door schadelijke UV-straling, uitdroging,
zwaartekracht, wind en erosie
o Land wel veelbelovend voor stofwisseling (fotosynthese & ademhaling)
▪ Overvloed aan licht
▪ Voldoende O2
▪ Veel hogere beschikbaarheid aan atmosferische CO2
4