,Inhoudsopgave
1. Schedel ........................................................................................................................................ 2
2. Wervels ....................................................................................................................................... 11
3. Voorste lidmaat ......................................................................................................................... 21
4. Achterste lidmaat ..................................................................................................................... 31
5. Diersoortelijke verschillen ........................................................................................................ 39
, 1. Schedel
Nederlands begrip Latijn Functie/betekenis
Schedelholte Cavum cranii Holte waarin de hersenen zich bevinden.
Schedeldak Calvaria Bovenzijde van de hersenholte.
Schedelbasis Basis cranii Bodem van de schedelholte.
Achterhoofdsvlakte - Zorgt voor de verbinding schedel – nek.
Slaapgroeve Fossa temporalis Ruimte op de zijvlakte van de hersenschedel,
caudaal van de oogkas.
Oogkas Orbita Kegelvormige ruimte met oogbol, spieren,
traanklier en vet
Jukboog Arcus Verbind de maxilla met het gebied rostraal van de
zygomaticus uitwendige gehoorgang; lijnt zijdelings de oogkas
en de slaapgroeve af.
Voorhoofdsholte Frons Gebied tussen beide ogen, caudaal van de
neusrug.
Neusholte - Inwendige ruimte die reikt van de neusgaten
(nares) tot de inwendige neusopeningen
(choanen).
- Choanen Ruime openingen tussen hard gehemelte en
schedelbasis; verbinding tussen neusholte en
keelholte.
Neusbijholten Sinus Holle ruimte in een bot die via een nauwe
paranasalis doorgang in verbinding staat met de neusholte
(dit in tegenstelling tot een ‘recessus’: een holle
ruimte in een bot met een ruime doorgang naar
de neusholte). De grootste sinussen bevinden zich
in het os frontale en het os maxillare.
Hard gehemelte Palatum durum Beenderige scheiding tussen neus- en mondholte.
, Neurocranium (hersenschedel)
Os occipitale:
• Achterhoofdsbeen
o Sluit caudaal aan op de eerste halswervel en
de bouw vertoont nog enige gelijkenis met
die van een wervels
• Foramen magnum (OSTEO)
o Achterhoofd opening
o Loopt verlengde ruggenmerg door
• Condylus occipitales (OSTEO)
o Achterhoofdsknobbel beide kanten
aanwezig, naast het foramen magnum
o Zorgt voor de ja-beweging
• Processus paracondylaris (OSTEO)
o Zwaar uitsteeksel langs de condylus
occipitales
o Werd vroeger processus jugilaris
genoemd
• Squama occipitales
o Dorsaal van foramen magnum
o Vormt de nekvlakte
o Beenplaat plat stuk
• Pars basilaris
o Ventraal van het foramen magnum (onderkant van de schedel)
o Caudale deel van de schedelbasis
o Draagt het verlengde merg
• Protuberantia occipitalis externa (OSTEO)
o Jachtknobbel
o Zwaar beenuitsteeksel voor spieren
o Knobbel op de mediaanlijn
• Crista nuchae (OSTEO)
o Scheiding tussen nekvlakte en
schedeldak
o Loopt beiderzijds over in de crista
temporalis
o Dikke uitstekende kam van de nek
• Planum nuchale
o Nekvlakte
o Zone dorsaal van het foramen magnum
o Ruw door spieraanhechting
Os interparietale:
• Klein in de dorsale middenlijn
• Sluit aan op de squama occipitalis