Hoorcollege 8 Hersenstam en zijn structuren
Leerdoelen
1. kenmerken, indeling, functie en topografie van het de
hersenstam van een volwassene beschrijven met specifieke
nadruk op de banen betrokken bij het visuele systeem;
2. de plaats en functie van de kernen en zenuwen van N.III, N.IV en
N.VI beschrijven;
Drie kernen in de hersenstam sturen de oogspieren aan, vanuit deze kern
ontstaan de oogzenuwen voor de extraoculaire spieren:
- De nervus oculomotorius is de derde hersenzenuw (N.III). De
nervus oculomotorius is een kernencomplex. Elke nervus
oculomotorius innerveert 4 van de 6 uitwendige (extrinsieke)
oogspieren. Dit zijn de
o Musculus rectus superior, bovenste recht oogspier
o Musculus rectus medialis, middelste rechte oogspier
o Musculus rectus inferior, onderste rechte oogspier
o Musculus obliquus inferior, onderste schuine oogspier
o (bovenooglid levator spier of musculus levator palpebrae,
spieren die de pupil vernauwen en de accommodatie
bevorderen.)
Ook bevatten ze autonome vezels naar intrinsieke oogspieren die de
hoeveelheid licht kunnen aanpassen die het oog binnenkomt en die
de vorm van de ooglens regelen.
, - De nervus trochlearis is de vierde hersenzenuw (N.IV). De nervus
trochlearis innerveert de bovenste schuine (musculus obliquus
superior) oogspier.
- De nervus abducens is de zesde hersenzenuw (NVI). De nervus
abducens innerveert de buitenste rechte oogspier (Musculus rectus
lateralis). Deze spier abduceert de oogbol, waardoor het oog lateraal
roteert, weg van het midden van het lichaam.
3. Weer kunnen geven rond welke assen de monoculaire
oogbewegingen (ducties) plaatsvinden, Weer kunnen geven welke
ducties er zijn;
4. Weer kunnen geven wat binoculaire oogbewegingen (versies)
zijn;
Versie: synchrome symmetrische oogbeweging van beide ogen in dezelfde
richting. Bijvoorbeeld dextroversie; beide ogen kijken naar rechts.
Leerdoelen
1. kenmerken, indeling, functie en topografie van het de
hersenstam van een volwassene beschrijven met specifieke
nadruk op de banen betrokken bij het visuele systeem;
2. de plaats en functie van de kernen en zenuwen van N.III, N.IV en
N.VI beschrijven;
Drie kernen in de hersenstam sturen de oogspieren aan, vanuit deze kern
ontstaan de oogzenuwen voor de extraoculaire spieren:
- De nervus oculomotorius is de derde hersenzenuw (N.III). De
nervus oculomotorius is een kernencomplex. Elke nervus
oculomotorius innerveert 4 van de 6 uitwendige (extrinsieke)
oogspieren. Dit zijn de
o Musculus rectus superior, bovenste recht oogspier
o Musculus rectus medialis, middelste rechte oogspier
o Musculus rectus inferior, onderste rechte oogspier
o Musculus obliquus inferior, onderste schuine oogspier
o (bovenooglid levator spier of musculus levator palpebrae,
spieren die de pupil vernauwen en de accommodatie
bevorderen.)
Ook bevatten ze autonome vezels naar intrinsieke oogspieren die de
hoeveelheid licht kunnen aanpassen die het oog binnenkomt en die
de vorm van de ooglens regelen.
, - De nervus trochlearis is de vierde hersenzenuw (N.IV). De nervus
trochlearis innerveert de bovenste schuine (musculus obliquus
superior) oogspier.
- De nervus abducens is de zesde hersenzenuw (NVI). De nervus
abducens innerveert de buitenste rechte oogspier (Musculus rectus
lateralis). Deze spier abduceert de oogbol, waardoor het oog lateraal
roteert, weg van het midden van het lichaam.
3. Weer kunnen geven rond welke assen de monoculaire
oogbewegingen (ducties) plaatsvinden, Weer kunnen geven welke
ducties er zijn;
4. Weer kunnen geven wat binoculaire oogbewegingen (versies)
zijn;
Versie: synchrome symmetrische oogbeweging van beide ogen in dezelfde
richting. Bijvoorbeeld dextroversie; beide ogen kijken naar rechts.