Paragraaf 1, waar heb jij behoefte aan?
Behoeften: alles wat je graag wilt of nodig hebt.
- primaire behoefte: noodzakelijk om te overleven
- secundaire behoefte: maken het leven prettiger
Middel: tijd, geld of bezit
Schaarste: niet genoeg middelen hebben om je behoefte te voorzien.
- dagelijks gebruik: er is een gebrek van (goud).
- economisch gebruik: er moet een middel voor opgeofferd worden (brood).
Vrij goed: goederen die niet schaars zijn: zon, wind en water
Schaars goed: er moeten middelen worden gebruikt om ze te krijgen.
Probleem: behoeften zijn onbegrensd, maar middelen zijn begrensd.
Gevolg: je moet keuzes maken
Alternatief aanwendbaar: de mogelijkheid hebben om een middel op verschillende manieren in te
zetten.
Consumeren: aanschaffen van goederen en diensten.
Goederen: tastbare producten.
- gebruiksgoederen: goederen die je een langere tijd gebruikt
- verbruiksgoederen: goederen die je op maakt (eten).
Diensten: activiteiten waarmee je iemands behoeften mee kan voorzien (niet tastbaar)
Zelfvoorziening: je doet het zelf.
Paragraaf 2, kopen is kiezen?
Van een week naar een maand & van een maand naar een week.
Inkomen gezin:
- inkomsten uit arbeid: werken, bijbaantje, vakantie werk
- inkomsten uit bezit: rente
- overdrachtsinkomsten: geen tegen prestatie: kleedgeld, kinderbijslag.
Uitagaven gezin:
- vaste lasten: kosten met een vaste hoogte die je betaalt met vaste regelmaat (huur)
- huishoudelijke uitgaven: alledaagse uitgave voor het huishouden (boodschappen)
- incidentele uitgaven: grotere bedragen, af en toe, vaak onverwachts (kapotte auto)
Begroting: overzicht van geplande inkomsten en uitgaven voor een bepaalde periode.
- tekort: bezuinigen
- overschot: reserveren.
Adviesbuffer: reserve die ze adviseren