Kennen en kunnen toets politiek
Maatschappijleer
1. Kunnen uitleggen wat het essentiële verschil tussen een democratie en een
dictatuur is.
2. Kunnen benoemen wat de kenmerken van een democratie en een dictatuur zijn
en deze in concrete voorbeelden kunnen herkennen.
3. Kunnen uitleggen wat het verschil is tussen directe en indirecte democratie en
van beide voor- en nadelen kunnen noemen.
4. Kunnen uitleggen wat een ideologie is.
5. Kunnen omschrijven wat er wordt bedoelt met “links” en “rechts” en
“progressief” en “conservatief” (mijn uitleg, niet uit het boek!)
6. Deze begrippen kunnen relateren aan concrete voorbeelden, of aan de hand van
deze begrippen zelf voorstellen voor beleid kunnen doen.
7. Politieke ideeën kunnen plaatsen op het politieke assenstelsel en daarmee kunnen
koppelen aan ideologieën.
8. Partijen kunnen plaatsen op het “kruis” waarop ideologieën zijn ingedeeld
(globaal, niet heel nauwkeurig)
9. Het proces van een kabinetsformatie kunnen omschrijven en de rol van alle
betrokkenen in dit proces kunnen duiden.
10. Kunnen omschrijven wat de taken van de regering en het kabinet zijn.
11. Kunnen omschrijven wat de taken en rechten van het parlement zijn en deze in
concrete voorbeelden kunnen herkennen.
12. Kunnen aangeven wat het verschil is tussen oppositiepartijen en coalitiepartijen.
13. Kunnen aangeven hoe een wet tot stand komt.
14. Drie typen politieke partijen kunnen herkennen en in het kort de specifieke
kenmerken daarvan kunnen omschrijven. (ideologisch/single issue en populitisch)
15. De begrippen “monisme” en “dualisme” in concrete voorbeelden kunnen
herkennen.
Maatschappijleer
1. Kunnen uitleggen wat het essentiële verschil tussen een democratie en een
dictatuur is.
2. Kunnen benoemen wat de kenmerken van een democratie en een dictatuur zijn
en deze in concrete voorbeelden kunnen herkennen.
3. Kunnen uitleggen wat het verschil is tussen directe en indirecte democratie en
van beide voor- en nadelen kunnen noemen.
4. Kunnen uitleggen wat een ideologie is.
5. Kunnen omschrijven wat er wordt bedoelt met “links” en “rechts” en
“progressief” en “conservatief” (mijn uitleg, niet uit het boek!)
6. Deze begrippen kunnen relateren aan concrete voorbeelden, of aan de hand van
deze begrippen zelf voorstellen voor beleid kunnen doen.
7. Politieke ideeën kunnen plaatsen op het politieke assenstelsel en daarmee kunnen
koppelen aan ideologieën.
8. Partijen kunnen plaatsen op het “kruis” waarop ideologieën zijn ingedeeld
(globaal, niet heel nauwkeurig)
9. Het proces van een kabinetsformatie kunnen omschrijven en de rol van alle
betrokkenen in dit proces kunnen duiden.
10. Kunnen omschrijven wat de taken van de regering en het kabinet zijn.
11. Kunnen omschrijven wat de taken en rechten van het parlement zijn en deze in
concrete voorbeelden kunnen herkennen.
12. Kunnen aangeven wat het verschil is tussen oppositiepartijen en coalitiepartijen.
13. Kunnen aangeven hoe een wet tot stand komt.
14. Drie typen politieke partijen kunnen herkennen en in het kort de specifieke
kenmerken daarvan kunnen omschrijven. (ideologisch/single issue en populitisch)
15. De begrippen “monisme” en “dualisme” in concrete voorbeelden kunnen
herkennen.