Oefentoets blok 1.1
Anatomie. Les 1.
Noem je schematische opbouw van een cel: (3 onderdelen)
- Celmembraan - celkern - cytoplasma
Benoem de opbouw van de mens uit complexiteitsniveau’s: (6 onderdelen)
- Atoom - moleculen - cellen - weefsels - organen - orgaanstelsels
Homeostase: het behouden van de balans binnen cellen met betrekking tot afvalstoffen en
voedingsstoffen.
Noem 4 soorten weefsels:
1. Steunweefsel botweefsel, kraakbeen, bindweefsels, bloed.
2. Dekweefsel epitheel (weefsel dat organen bekleed) en endothelium (het epitheel van de
bloedvaten)
3. Spierweefsel
4. Zenuwweefsel
Nederlandse vertaling van de orgaansystemen hieronder.
Tractus circulatorius: bloedsomloop
Tractus respiratorius: ademhalingstelsel
Tractus digestivus: spijsverteringsstelsel
Tractus urinarius/genitalis: urinewegstelsel
Noem 10 functiesystemen van meercellige organismen:
1. Urinewegstelsel
2. Spijsverteringsstelsel
3. Ademhalingsstelsel
4. Circulatiestelsel
5. Huid
6. Hormoonstelsel
7. Zenuwstelsel
8. Sensorisch systeem
9. Motorisch systeem
10. Voortplantingsstelsel
Omnipotente cel: cel die zich kan omvormen tot alle mogelijke weefseltypes.
Pluripotente cel: kan zich omvormen naar elke andere soort cel wat een individu bezit maar zonder
extra ontwikkelingsmogelijkheden.
Oligopotente cel: stamcellen, kunnen zich wel ontwikkelen maar niet veranderen. Het zijn orgaan-
specifieke stamcellen.
Unipotente cel: kan zich omvormen naar 1 andere soort cel naast hun eigen vorm.
, Anatomie les 2.
Benoem de 3 afweerlinies en vertel of deze a-specifiek zijn of specifiek:
1. De dichtheid van de huid
2. A-specifieke afweer: Leukocyten. Als er iets in het lichaam is wat hier niet hoort gaan de
witte bloedcellen hier heen (ontsteking) deze kan verschillende aanvalsbronnen afweren.
3. Specifieke afweer: ook wel het immuunsysteem T-cel B-cel en antistoffen.
Noem de 5 belangrijkste a-specifieke afweermechanismen:
1. afweer aan lichaamsoppervlak
2. fagocytose
3. natuurlijke antimicrobiele stoffen
4. ontstekingsreactie
5. immunologische bewaking
Epidermis: opperhuid
Dermis: lederhuid
Subcutis: onderliggend weefsel
Noem 5 functies van de huid: temperatuur - beschermen – uitscheiding - resorptie - sensorische
zenuwen (tast/pijn)
Antilichaam: defensief eiwit dat door B-lymfocyten is gesynthetiseerd als reactie op de aanwezigheid
van een antigeen.
Antigeen: een eiwit dat de immunologische verdedigingen van het lichaam stimuleert.
Pathogeen: ziekteverwekker.
Fagocytose: opeten van cellen.
Leg uit wat NK-cellen zijn en doen (4 antwoorden):
- Lymfocyten.
- Patrouilleren door het lichaam.
- Herkennen zieke/geïnfecteerde cellen.
- Doden geïnfecteerde/zieke cellen.
Leg uit wat Lymfocyten zijn en waar zij zitten (3 antwoorden):
- 20-30% van de witte bloedcellen zijn lymfocyten.
- Zitten in het lichaam, bijna niet in het bloed.
- Lymfocyten zijn o.a.: NK-cells, T-cellen (meerderheid), B-cellen.
Leg uit wat B-cellen zijn: B-cellen zijn, wat zij doen, waar gemaakt word (5 antwoorden):
- Specifieke afweer.
- Produceren antilichamen (immunoglobulinen oftewel eiwitten) die worden gevormd om
antigenen te binden en vernietigen. Met hulp van de helper-T-cellen.
- reageert op 1 type antigeen.
Anatomie. Les 1.
Noem je schematische opbouw van een cel: (3 onderdelen)
- Celmembraan - celkern - cytoplasma
Benoem de opbouw van de mens uit complexiteitsniveau’s: (6 onderdelen)
- Atoom - moleculen - cellen - weefsels - organen - orgaanstelsels
Homeostase: het behouden van de balans binnen cellen met betrekking tot afvalstoffen en
voedingsstoffen.
Noem 4 soorten weefsels:
1. Steunweefsel botweefsel, kraakbeen, bindweefsels, bloed.
2. Dekweefsel epitheel (weefsel dat organen bekleed) en endothelium (het epitheel van de
bloedvaten)
3. Spierweefsel
4. Zenuwweefsel
Nederlandse vertaling van de orgaansystemen hieronder.
Tractus circulatorius: bloedsomloop
Tractus respiratorius: ademhalingstelsel
Tractus digestivus: spijsverteringsstelsel
Tractus urinarius/genitalis: urinewegstelsel
Noem 10 functiesystemen van meercellige organismen:
1. Urinewegstelsel
2. Spijsverteringsstelsel
3. Ademhalingsstelsel
4. Circulatiestelsel
5. Huid
6. Hormoonstelsel
7. Zenuwstelsel
8. Sensorisch systeem
9. Motorisch systeem
10. Voortplantingsstelsel
Omnipotente cel: cel die zich kan omvormen tot alle mogelijke weefseltypes.
Pluripotente cel: kan zich omvormen naar elke andere soort cel wat een individu bezit maar zonder
extra ontwikkelingsmogelijkheden.
Oligopotente cel: stamcellen, kunnen zich wel ontwikkelen maar niet veranderen. Het zijn orgaan-
specifieke stamcellen.
Unipotente cel: kan zich omvormen naar 1 andere soort cel naast hun eigen vorm.
, Anatomie les 2.
Benoem de 3 afweerlinies en vertel of deze a-specifiek zijn of specifiek:
1. De dichtheid van de huid
2. A-specifieke afweer: Leukocyten. Als er iets in het lichaam is wat hier niet hoort gaan de
witte bloedcellen hier heen (ontsteking) deze kan verschillende aanvalsbronnen afweren.
3. Specifieke afweer: ook wel het immuunsysteem T-cel B-cel en antistoffen.
Noem de 5 belangrijkste a-specifieke afweermechanismen:
1. afweer aan lichaamsoppervlak
2. fagocytose
3. natuurlijke antimicrobiele stoffen
4. ontstekingsreactie
5. immunologische bewaking
Epidermis: opperhuid
Dermis: lederhuid
Subcutis: onderliggend weefsel
Noem 5 functies van de huid: temperatuur - beschermen – uitscheiding - resorptie - sensorische
zenuwen (tast/pijn)
Antilichaam: defensief eiwit dat door B-lymfocyten is gesynthetiseerd als reactie op de aanwezigheid
van een antigeen.
Antigeen: een eiwit dat de immunologische verdedigingen van het lichaam stimuleert.
Pathogeen: ziekteverwekker.
Fagocytose: opeten van cellen.
Leg uit wat NK-cellen zijn en doen (4 antwoorden):
- Lymfocyten.
- Patrouilleren door het lichaam.
- Herkennen zieke/geïnfecteerde cellen.
- Doden geïnfecteerde/zieke cellen.
Leg uit wat Lymfocyten zijn en waar zij zitten (3 antwoorden):
- 20-30% van de witte bloedcellen zijn lymfocyten.
- Zitten in het lichaam, bijna niet in het bloed.
- Lymfocyten zijn o.a.: NK-cells, T-cellen (meerderheid), B-cellen.
Leg uit wat B-cellen zijn: B-cellen zijn, wat zij doen, waar gemaakt word (5 antwoorden):
- Specifieke afweer.
- Produceren antilichamen (immunoglobulinen oftewel eiwitten) die worden gevormd om
antigenen te binden en vernietigen. Met hulp van de helper-T-cellen.
- reageert op 1 type antigeen.