PERSOONLIJKHEID
EN
INDIVIDUELE
VERSCHILLEN
AANTEKENINGEN
COLLEGE
1
Persoonlijkheid
is
een
deelverzameling
van
de
individuele
verschillen,
en
heeft
betrekking
op
de
meer
psychologische
individuele
verschilvariabelen.
Bij
dit
vak
is
het
belangrijk
dat
we
kijken
naar
verschillen,
en
niet
naar
overeenkomsten.
Deze
zijn
er
ook
weinig,
soort;
mens.
Persoonlijkheid
is
een
vrij
stabiele
eigenschap,
en
voor
ongeveer
50%
erfelijk.
Je
zou
kunnen
zeggen
dat
persoonlijkheid
betrekking
heef
top
deels
erfelijke
en
deels
stabiele
eigenschappen
van
mensen
die
betrekking
hebben
op
wat
we
doen
en
denken.
Het
zijn
dus
hele
fundamentele
eigenschappen
van
mensen.
Historisch
gezien
ligt
het
accent
op:
maskerade,
façade,
uiterlijk
vertoon
en
sociale
reputatie.
De
echte
persoonlijkheid
is
verborgen
en
moet
als
het
ware
worden
ontmaskerd.
Karakter
wordt
gekenmerkt
door
vorming,
algemeen
gebruik;
stijl
van
kunstwerk,
typische
vorm
van
een
ding,
volksaard,
letterteken
etc.
Vooral
bij
honden
worden
karakteristieken
zeer
uitgebreid
besproken
per
ras,
opvallend
is
dat
er
een
type
karakter
per
ras
beschreven
wordt.
Temperament
verwijst
naar
een
ideale
mengverhouding
van
humores
(lichaamssappen):
bloed,
etter/slijm,
gal
en
zwarte
gal
(van
hippocrates).
Het
ging
om
de
verhouding,
oftewel
het
mengsel.
Bij
te
veel
of
te
weinig
van
de
een
leverde
dat
ziektes
op.
Galenus
vertaalde
het
Griekse
mengsel
naar
temperament.
• Sanguinische
type:
vrolijk,
vriendelijk
en
grappig
• Cholerische
type:
onstuimig,
grootmoedig
en
vermetel
• Flegmatische
type:
traag,
loom
en
lui
• Melancholische
type:
somber
,zwijgzaam
en
vasthoudend
Onderzoek
naar
persoonlijkheid
kan
worden
ingedeeld
in
een
beperkt
aantal
inhoudelijke
domeinen
(Larsen
en
Buss):
1. Het
dispositionele
domein:
eigenschappen,
taxonomie,
stabiliteit
2. Het
biologische
domein:
fysiologie,
genetica,
evolutie
3. Het
intrapsychische
domein:
psychoanalyse,
motivatie,
dynamica
4. Het
cognitieve/experientiele
domein:
cognitie,
intelligentie,
emotie,
zelf
5. Het
sociale
en
culturele
domein:
relaties,
sekse,
cultuur
6. Het
aanpassingsdomein:
stres,
coping,
stoornissen
,Het
dispositionele
domein
Drie
kernvragen:
-‐ Hoe
moeten
eigenschappen
worden
gedefinieerd?
-‐ Hoe
kunnen
we
de
eigenschappen
die
echt
belangrijk
zijn
identificeren
te
midden
van
de
duizenden
manieren
waarop
mensen
van
elkaar
kunnen
verschillen?
-‐ Hoe
kunnen
we
een
omvattende
taxonomie
van
eigenschappen
formuleren?
Wat
zijn
de
meest
belangrijke
eigenschappen
van
personen?
L&B:
aantal
theorieën
en
modellen
met
betrekking
tot
belangrijkste
aspecten
van
de
persoonlijkheid:
Eysenck,
Gray,
Zuckerman;
biologisch/fysiologisch.
Eysenck;
model
gebaseerd
op
fysiologische
metingen.
Hij
meet:
psychoticism
(P),
extraversion
(E),
en
neuroticism
(N).
Het
PEN-‐model
is
hiërarchisch.
Gray:
Behavioral
Activation
System
(BAS)
en
Behavioral
Inhibition
System
(BIS).
Biologische
systemen
in
de
hersenen:
individuele
verschillen
in
de
mate
waarin
Bis
en
Bas
gevoelig
zijn.
Bas
kun
je
zien
als
een
belonings-‐mechanisme.
Gevoeligheid
voor
positieve
prikkels
en
hebben
de
neiging
om
op
zulke
prikkels
af
te
gaan.
Sommigen
leren
beter
door
beloning
en
worden
extravert.
Bis
kun
je
zien
als
een
straf-‐mechanisme.
Gevoeligheid
voor
negatieve
prikkels
en
hebben
de
neiging
tot
vermijding
van
zulke
prikkels.
Sommige
leren
beter
door
bestraffing
en
worden
introvert.
Zuckerman:
Sensation
seeking,
voortgekomen
uit
studies
naar
sensorische
deprivatie.
Het
zijn
mensen
die
zoeken
nar
spannende
nieuwe
ervaringen,
van
skydiving
tot
alcohol,
alles
wat
voor
jouw
nieuw
is.
Heel
veel
mensen
zeggen
dat
het
een
smal
begrip
is,
Eysenck
zegt
dat
het
een
deel
is
van
zijn
P.
Mensen
die
hoog
zijn
in
Sensation
Seeking
hebben
een
laag
niveau
van
monoamino
oxidase,
wat
ongeveer
60%
genetisch
is.
Mannen
en
jongeren
scoren
het
hoogst,
vrouwen
en
ouderen
scoren
het
laagst.
Je
kunt
het
onderverdelen
in:
thrill
and
adventure
seeking,
experience
seeking,
disinhibition
(ongeremd
zijn),
boredom
susceptibility.
Meer
recent
onderzoek
naar
de
meest
relevante
persoonlijkheidseigenschappen
grotendeels
a-‐theoretisch.
Meest
bekend:
(psycho)
lexicaal
onderzoek.
Als
een
eigenschap
echt
belangrijk
is
en/of
opvallend,
dan
zijn
er
meerdere
woorden
voor.
En
zijn
er
woorden
voor
in
verschillende
talen/culturen.
Is
dit
het
geval,
dan
spreken
we
van
cross-‐culturele
universaliteit.
In
lexicaal
onderzoek
worden
er
woordenboek
bij
gepakt,
en
wordt
er
gezocht
naar
persoonlijkheid
beschrijvende
termen.
COLLEGE
3
Academische
intelligentie:
nodig
om
een
studie
te
voltooien.
Dit
meten
wij
het
meeste
met
een
IQ
test.
Er
zitten
dan
ook
heel
veel
elementen
in
die
direct
te
linken
zijn
met
studie-‐
of
schoolprestaties.
, Intelligentie
van
Vernon
-‐ Intelligentie
A:
genotypisch
(aanleg),
kunnen
we
vaak
niet
bepalen.
• 50-‐55%
erfelijk,
zijn
bepaald
op
basis
van
niveau
C
• Dus
ook
45-‐50%
niet
erfelijk
(omgevingsfactoren:
Omgeving,
cultuur,
scholing,
vriendenkring,
etc.)
-‐ Intelligentie
B:
interactie
aanleg-‐omgeving;
hoe
uit
deze
zich
-‐ Intelligentie
C:
dat
wat
een
intelligentietest
meet
Intelligentie
Spearman
Algemene
intelligentiefactor
waar
specifieke
aspecten
van
intelligentie
deel
uit
maken:
-‐ g
=
algemene
intelligentiefactor
-‐ S-‐factoren
Intelligentie
Gardner
Volgens
Gardner
zijn
er
echter
verschillende
soorten
intelligentie:
1. Linguïstische
intelligentie
2. Ruimtelijke
intelligentie
3. Logisch-‐wiskundige
intelligentie
4. Muzikale
intelligentie
5. Lichamelijke
bewegingsintelligentie
6. Interpersoonlijke
intelligentie
(aanvoelen
hoe
anderen
reageren)
7. Intrapersoonlijke
intelligentie
(heb
je
in
de
gaten
wat
je
zelf
denkt
en
voelt)
8. Naturalistische
intelligentie
(categoriseren)
6
en
7
wordt
later
ook
wel
emotionele
intelligentie
genoemd.
Helaas
kunnen
we
veel
soorten
niet
meten.
Intelligentie
Guilford:
Structure
of
Intellect
Theory
-‐ Operatie
(cognitieve
activiteit):
cognitie,
geheugen,
divergente
productie,
convergente
productie,
evaluatie
-‐ Inhoud:
figuren,
symbolen,
semantiek,
gedrag
-‐ Product
(hoe
aangeboden):
eenheden,
klassen,
relaties,
system,
transformaties,
implicaties
Als
je
dit
allemaal
zou
combineren,
krijg
je
120
intelligentie-‐aspecten.
Dit
is
momenteel
wel
het
meest
uitgebreide
model
van
intelligentie
wat
er
is.
Intelligentie
Cattell:
-‐ Fluid
intelligence:
flexibiliteit
in
denken
en
het
vermogen
tot
abstract
redeneren
(aanleg,
lijkt
veel
op
intelligentie
A)
-‐ Crystallized
intelligence:
de
mate
waarin
een
accumulatie
van
kennis
en
vaardigheden
heeft
plaatsgevonden
gedurende
de
levensloop
(aangeleerd,
B)
EN
INDIVIDUELE
VERSCHILLEN
AANTEKENINGEN
COLLEGE
1
Persoonlijkheid
is
een
deelverzameling
van
de
individuele
verschillen,
en
heeft
betrekking
op
de
meer
psychologische
individuele
verschilvariabelen.
Bij
dit
vak
is
het
belangrijk
dat
we
kijken
naar
verschillen,
en
niet
naar
overeenkomsten.
Deze
zijn
er
ook
weinig,
soort;
mens.
Persoonlijkheid
is
een
vrij
stabiele
eigenschap,
en
voor
ongeveer
50%
erfelijk.
Je
zou
kunnen
zeggen
dat
persoonlijkheid
betrekking
heef
top
deels
erfelijke
en
deels
stabiele
eigenschappen
van
mensen
die
betrekking
hebben
op
wat
we
doen
en
denken.
Het
zijn
dus
hele
fundamentele
eigenschappen
van
mensen.
Historisch
gezien
ligt
het
accent
op:
maskerade,
façade,
uiterlijk
vertoon
en
sociale
reputatie.
De
echte
persoonlijkheid
is
verborgen
en
moet
als
het
ware
worden
ontmaskerd.
Karakter
wordt
gekenmerkt
door
vorming,
algemeen
gebruik;
stijl
van
kunstwerk,
typische
vorm
van
een
ding,
volksaard,
letterteken
etc.
Vooral
bij
honden
worden
karakteristieken
zeer
uitgebreid
besproken
per
ras,
opvallend
is
dat
er
een
type
karakter
per
ras
beschreven
wordt.
Temperament
verwijst
naar
een
ideale
mengverhouding
van
humores
(lichaamssappen):
bloed,
etter/slijm,
gal
en
zwarte
gal
(van
hippocrates).
Het
ging
om
de
verhouding,
oftewel
het
mengsel.
Bij
te
veel
of
te
weinig
van
de
een
leverde
dat
ziektes
op.
Galenus
vertaalde
het
Griekse
mengsel
naar
temperament.
• Sanguinische
type:
vrolijk,
vriendelijk
en
grappig
• Cholerische
type:
onstuimig,
grootmoedig
en
vermetel
• Flegmatische
type:
traag,
loom
en
lui
• Melancholische
type:
somber
,zwijgzaam
en
vasthoudend
Onderzoek
naar
persoonlijkheid
kan
worden
ingedeeld
in
een
beperkt
aantal
inhoudelijke
domeinen
(Larsen
en
Buss):
1. Het
dispositionele
domein:
eigenschappen,
taxonomie,
stabiliteit
2. Het
biologische
domein:
fysiologie,
genetica,
evolutie
3. Het
intrapsychische
domein:
psychoanalyse,
motivatie,
dynamica
4. Het
cognitieve/experientiele
domein:
cognitie,
intelligentie,
emotie,
zelf
5. Het
sociale
en
culturele
domein:
relaties,
sekse,
cultuur
6. Het
aanpassingsdomein:
stres,
coping,
stoornissen
,Het
dispositionele
domein
Drie
kernvragen:
-‐ Hoe
moeten
eigenschappen
worden
gedefinieerd?
-‐ Hoe
kunnen
we
de
eigenschappen
die
echt
belangrijk
zijn
identificeren
te
midden
van
de
duizenden
manieren
waarop
mensen
van
elkaar
kunnen
verschillen?
-‐ Hoe
kunnen
we
een
omvattende
taxonomie
van
eigenschappen
formuleren?
Wat
zijn
de
meest
belangrijke
eigenschappen
van
personen?
L&B:
aantal
theorieën
en
modellen
met
betrekking
tot
belangrijkste
aspecten
van
de
persoonlijkheid:
Eysenck,
Gray,
Zuckerman;
biologisch/fysiologisch.
Eysenck;
model
gebaseerd
op
fysiologische
metingen.
Hij
meet:
psychoticism
(P),
extraversion
(E),
en
neuroticism
(N).
Het
PEN-‐model
is
hiërarchisch.
Gray:
Behavioral
Activation
System
(BAS)
en
Behavioral
Inhibition
System
(BIS).
Biologische
systemen
in
de
hersenen:
individuele
verschillen
in
de
mate
waarin
Bis
en
Bas
gevoelig
zijn.
Bas
kun
je
zien
als
een
belonings-‐mechanisme.
Gevoeligheid
voor
positieve
prikkels
en
hebben
de
neiging
om
op
zulke
prikkels
af
te
gaan.
Sommigen
leren
beter
door
beloning
en
worden
extravert.
Bis
kun
je
zien
als
een
straf-‐mechanisme.
Gevoeligheid
voor
negatieve
prikkels
en
hebben
de
neiging
tot
vermijding
van
zulke
prikkels.
Sommige
leren
beter
door
bestraffing
en
worden
introvert.
Zuckerman:
Sensation
seeking,
voortgekomen
uit
studies
naar
sensorische
deprivatie.
Het
zijn
mensen
die
zoeken
nar
spannende
nieuwe
ervaringen,
van
skydiving
tot
alcohol,
alles
wat
voor
jouw
nieuw
is.
Heel
veel
mensen
zeggen
dat
het
een
smal
begrip
is,
Eysenck
zegt
dat
het
een
deel
is
van
zijn
P.
Mensen
die
hoog
zijn
in
Sensation
Seeking
hebben
een
laag
niveau
van
monoamino
oxidase,
wat
ongeveer
60%
genetisch
is.
Mannen
en
jongeren
scoren
het
hoogst,
vrouwen
en
ouderen
scoren
het
laagst.
Je
kunt
het
onderverdelen
in:
thrill
and
adventure
seeking,
experience
seeking,
disinhibition
(ongeremd
zijn),
boredom
susceptibility.
Meer
recent
onderzoek
naar
de
meest
relevante
persoonlijkheidseigenschappen
grotendeels
a-‐theoretisch.
Meest
bekend:
(psycho)
lexicaal
onderzoek.
Als
een
eigenschap
echt
belangrijk
is
en/of
opvallend,
dan
zijn
er
meerdere
woorden
voor.
En
zijn
er
woorden
voor
in
verschillende
talen/culturen.
Is
dit
het
geval,
dan
spreken
we
van
cross-‐culturele
universaliteit.
In
lexicaal
onderzoek
worden
er
woordenboek
bij
gepakt,
en
wordt
er
gezocht
naar
persoonlijkheid
beschrijvende
termen.
COLLEGE
3
Academische
intelligentie:
nodig
om
een
studie
te
voltooien.
Dit
meten
wij
het
meeste
met
een
IQ
test.
Er
zitten
dan
ook
heel
veel
elementen
in
die
direct
te
linken
zijn
met
studie-‐
of
schoolprestaties.
, Intelligentie
van
Vernon
-‐ Intelligentie
A:
genotypisch
(aanleg),
kunnen
we
vaak
niet
bepalen.
• 50-‐55%
erfelijk,
zijn
bepaald
op
basis
van
niveau
C
• Dus
ook
45-‐50%
niet
erfelijk
(omgevingsfactoren:
Omgeving,
cultuur,
scholing,
vriendenkring,
etc.)
-‐ Intelligentie
B:
interactie
aanleg-‐omgeving;
hoe
uit
deze
zich
-‐ Intelligentie
C:
dat
wat
een
intelligentietest
meet
Intelligentie
Spearman
Algemene
intelligentiefactor
waar
specifieke
aspecten
van
intelligentie
deel
uit
maken:
-‐ g
=
algemene
intelligentiefactor
-‐ S-‐factoren
Intelligentie
Gardner
Volgens
Gardner
zijn
er
echter
verschillende
soorten
intelligentie:
1. Linguïstische
intelligentie
2. Ruimtelijke
intelligentie
3. Logisch-‐wiskundige
intelligentie
4. Muzikale
intelligentie
5. Lichamelijke
bewegingsintelligentie
6. Interpersoonlijke
intelligentie
(aanvoelen
hoe
anderen
reageren)
7. Intrapersoonlijke
intelligentie
(heb
je
in
de
gaten
wat
je
zelf
denkt
en
voelt)
8. Naturalistische
intelligentie
(categoriseren)
6
en
7
wordt
later
ook
wel
emotionele
intelligentie
genoemd.
Helaas
kunnen
we
veel
soorten
niet
meten.
Intelligentie
Guilford:
Structure
of
Intellect
Theory
-‐ Operatie
(cognitieve
activiteit):
cognitie,
geheugen,
divergente
productie,
convergente
productie,
evaluatie
-‐ Inhoud:
figuren,
symbolen,
semantiek,
gedrag
-‐ Product
(hoe
aangeboden):
eenheden,
klassen,
relaties,
system,
transformaties,
implicaties
Als
je
dit
allemaal
zou
combineren,
krijg
je
120
intelligentie-‐aspecten.
Dit
is
momenteel
wel
het
meest
uitgebreide
model
van
intelligentie
wat
er
is.
Intelligentie
Cattell:
-‐ Fluid
intelligence:
flexibiliteit
in
denken
en
het
vermogen
tot
abstract
redeneren
(aanleg,
lijkt
veel
op
intelligentie
A)
-‐ Crystallized
intelligence:
de
mate
waarin
een
accumulatie
van
kennis
en
vaardigheden
heeft
plaatsgevonden
gedurende
de
levensloop
(aangeleerd,
B)