Boek interculturele communicatie
Hoofdstuk één: cultuur, communicatie en wereldburgerschap
Lagen cultuur:
-Tastbare zaken
-Normen en waarden
-Basiswaarden
Cultuur: collectieve mentale programmering die leden van een groep
onderscheidt van die van andere groepen
Programmering: cultuur is aangeleerd via opvoeding, socialisatie, normen en
waarden, waarnemen
Drie niveau’s programmering:
-Individu
-Cultuur
-Menselijke natuur
Subculturen:
-Werelddeel
-Land
-Etnische cultuur
-Regio
-Stad of platteland
-Geloof
-Sociale klasse
-Geslacht
-Leeftijd
-Beroep
-Hobby
-Bedrijfscultuur
Communicatieruis:
-Externe/muziek
-Internet/psychologisch
-Cultureel
Ontwikkeling ruis:
-Culturele factoren
-Communicatieve factoren, persoonlijke vaardigheden
-Attitudes en beeldvorming over gesprekspartner
Drie vragen TOPOI model:
-Mijn aandeel in misverstand
-Aandeel van de ander energiestand
-Invloed van sociale omgeving
Wereld burgerschap: bewust zijn buiten de grenzen van lokale/nationale
, gemeenschap, inzicht in internationale ontwikkelingen, empathie/respect voor
mensen uit de wereld, reflectie op verbanden, bereidheid tot conclusies
Standaard onderwijs wereldburgerschap:
-Diversiteit
-Identiteit
-Mensenrechten
-Duurzame ontwikkeling
-Globalisering
-Verdeling
-Vrede en conflict
-Mondiale betrokkenheid
Wereldburgerschapscompetenties:
-Attitude
-Kennis en cognitieve vaardigheden
-Niet cognitieve vaardigheden en gedrag
-Vermogen om in samenwerking met anderen te handelen
Verloop interculturele communicatie:
-Culturele achtergronden
-Attitudes en beeldvorming
-Persoonlijke vaardigheden van partners
Hoofdstuk twee: intercultureel communiceren met de zes basiswaarden
Lage context cultuur:
-Informatie wordt expliciet genoemd
-Duidelijk gestructureerd
-Direct
-Letterlijk
-Nadruk op gesproken en geschreven woord
-Non-verbale communicatie is ondergeschikt
Hoge context cultuur:
-Minder expliciet
-Informatie komt gemakkelijk en soepel over
-Indirect, niet onnodig kwetsen
-Soms figuurlijk
-Non-verbale communicatie is even belangrijk als de gesproken en
geschreven woord
-Begint bij de context, werkt naar de kern toe
Monochrone tijdsbeleving:
-Één ding tegelijk
-Concentreren op taken, anderen niet storen
-Tijd is lineair
-Communicatie met lage context
-Behoefte aan expliciete informatie
-Taakgericht
Hoofdstuk één: cultuur, communicatie en wereldburgerschap
Lagen cultuur:
-Tastbare zaken
-Normen en waarden
-Basiswaarden
Cultuur: collectieve mentale programmering die leden van een groep
onderscheidt van die van andere groepen
Programmering: cultuur is aangeleerd via opvoeding, socialisatie, normen en
waarden, waarnemen
Drie niveau’s programmering:
-Individu
-Cultuur
-Menselijke natuur
Subculturen:
-Werelddeel
-Land
-Etnische cultuur
-Regio
-Stad of platteland
-Geloof
-Sociale klasse
-Geslacht
-Leeftijd
-Beroep
-Hobby
-Bedrijfscultuur
Communicatieruis:
-Externe/muziek
-Internet/psychologisch
-Cultureel
Ontwikkeling ruis:
-Culturele factoren
-Communicatieve factoren, persoonlijke vaardigheden
-Attitudes en beeldvorming over gesprekspartner
Drie vragen TOPOI model:
-Mijn aandeel in misverstand
-Aandeel van de ander energiestand
-Invloed van sociale omgeving
Wereld burgerschap: bewust zijn buiten de grenzen van lokale/nationale
, gemeenschap, inzicht in internationale ontwikkelingen, empathie/respect voor
mensen uit de wereld, reflectie op verbanden, bereidheid tot conclusies
Standaard onderwijs wereldburgerschap:
-Diversiteit
-Identiteit
-Mensenrechten
-Duurzame ontwikkeling
-Globalisering
-Verdeling
-Vrede en conflict
-Mondiale betrokkenheid
Wereldburgerschapscompetenties:
-Attitude
-Kennis en cognitieve vaardigheden
-Niet cognitieve vaardigheden en gedrag
-Vermogen om in samenwerking met anderen te handelen
Verloop interculturele communicatie:
-Culturele achtergronden
-Attitudes en beeldvorming
-Persoonlijke vaardigheden van partners
Hoofdstuk twee: intercultureel communiceren met de zes basiswaarden
Lage context cultuur:
-Informatie wordt expliciet genoemd
-Duidelijk gestructureerd
-Direct
-Letterlijk
-Nadruk op gesproken en geschreven woord
-Non-verbale communicatie is ondergeschikt
Hoge context cultuur:
-Minder expliciet
-Informatie komt gemakkelijk en soepel over
-Indirect, niet onnodig kwetsen
-Soms figuurlijk
-Non-verbale communicatie is even belangrijk als de gesproken en
geschreven woord
-Begint bij de context, werkt naar de kern toe
Monochrone tijdsbeleving:
-Één ding tegelijk
-Concentreren op taken, anderen niet storen
-Tijd is lineair
-Communicatie met lage context
-Behoefte aan expliciete informatie
-Taakgericht