Vak: Communicatie
Examendata: Week 49
Kennisexamen communicatie online en offline
1
, 1.1 ZBMO-model + aanverwante begrippen
Communicatieproces: ZBMO-model
Z: Zender (vaak een onderneming)
B: Boodschap (inhoud)
M: Medium (een communicatiemiddel)
O: Ontvanger (meestal klanten)
Aspecten van de boodschap:
Zakelijke aspect: de inhoud + feiten.
Expressieve aspect: wat zegt de boodschap over de afzender zelf?
Relationele aspect: wat is de toon? Vriendelijk, waarderend, bevoogdend etc.
Appellerende aspect: wat wil de zender bereiken?
Coderen: Vormgeving en inkleding met woorden, beelden en geluid, waarmee een zender een boodschap wil
overbrengen (commercial op televisie).
Decoderen: Het proces hoe de ontvanger de codering omzet in een begrijpelijke boodschap.
Redundantie: Overdosis aan communicatie. Voorbeeld: een toespraak over een onderwerp dat jou aangaat, de
schoolregels. Dat kan best interessant zijn. Maar als de schoolleider te lang doorgaat en te veel herhaalt,
verslapt de aandacht.
Ruis: Vervorming en verlies van informatie in het communicatieproces. Intern: er gaat iets mis bij het
decoderen van de boodschap. Extern: storende invloeden in de omgeving van de ontvanger.
Feedback: Reactie van een ontvanger op een boodschap.
Terugkoppeling: Aanpassing op de feedback van de ontvanger.
1.2 Communicatievormen
Intrapersoonlijke communicatie Zender en ontvanger zijn één. Communicatie die een persoon met
zichzelf heeft.
Interpersoonlijke communicatie Zender en ontvanger verschillen. Communicatie tussen twee personen.
Groepscommunicatie Meerdere zenders en ontvangers.
Massa communicatie Communicatie waarbij grote groepen mensen (in één keer) worden
bereikt. Hier is geen feedback mogelijk.
Meta communicatie Communicatie over de toon van de communicatie.
Verbale communicatie Communicatie met woorden gesproken of geschreven.
Non-verbale communicatie De communicatie zonder woorden.
Intentionele communicatie Wat de zender bedoelt te communiceren.
Niet-intentionele communicatie Wat de ontvanger begrijpt maar de zender niet bedoelt te
communiceren.
Vocale communicatie Communicatie waarbij de stem wordt gebruikt.
Auditieve communicatie Communicatie met gesproken woorden of klanken, wordt ontvangen
door het oor.
Visuele communicatie Communicatie met beeld(en) wordt ontvangen door het oog.
Formele communicatie Geplande, systematische communicatie.
Informele communicatie Ongeplande en niet systematische communicatie.
Eenzijdige communicatie Alleen de zender communiceert.
Tweezijdige communicatie De zender en ontvanger communiceren .
Meerzijdige communicatie Meerdere zenders en ontvangers communiceren.
1.3 Selectiemechanisme
Selectieve blootstelling Niet alle media bereiken alle personen.
Selectieve perceptie Het hele proces van selectief oppikken en waarnemen van boodschappen.
Selectieve interpretatie Hoe je iets opvat en uitlegt.
Selectie acceptatie De boodschap wordt niet altijd geloofd.
Selectief herinnering Wordt niet altijd onthouden.
2
Examendata: Week 49
Kennisexamen communicatie online en offline
1
, 1.1 ZBMO-model + aanverwante begrippen
Communicatieproces: ZBMO-model
Z: Zender (vaak een onderneming)
B: Boodschap (inhoud)
M: Medium (een communicatiemiddel)
O: Ontvanger (meestal klanten)
Aspecten van de boodschap:
Zakelijke aspect: de inhoud + feiten.
Expressieve aspect: wat zegt de boodschap over de afzender zelf?
Relationele aspect: wat is de toon? Vriendelijk, waarderend, bevoogdend etc.
Appellerende aspect: wat wil de zender bereiken?
Coderen: Vormgeving en inkleding met woorden, beelden en geluid, waarmee een zender een boodschap wil
overbrengen (commercial op televisie).
Decoderen: Het proces hoe de ontvanger de codering omzet in een begrijpelijke boodschap.
Redundantie: Overdosis aan communicatie. Voorbeeld: een toespraak over een onderwerp dat jou aangaat, de
schoolregels. Dat kan best interessant zijn. Maar als de schoolleider te lang doorgaat en te veel herhaalt,
verslapt de aandacht.
Ruis: Vervorming en verlies van informatie in het communicatieproces. Intern: er gaat iets mis bij het
decoderen van de boodschap. Extern: storende invloeden in de omgeving van de ontvanger.
Feedback: Reactie van een ontvanger op een boodschap.
Terugkoppeling: Aanpassing op de feedback van de ontvanger.
1.2 Communicatievormen
Intrapersoonlijke communicatie Zender en ontvanger zijn één. Communicatie die een persoon met
zichzelf heeft.
Interpersoonlijke communicatie Zender en ontvanger verschillen. Communicatie tussen twee personen.
Groepscommunicatie Meerdere zenders en ontvangers.
Massa communicatie Communicatie waarbij grote groepen mensen (in één keer) worden
bereikt. Hier is geen feedback mogelijk.
Meta communicatie Communicatie over de toon van de communicatie.
Verbale communicatie Communicatie met woorden gesproken of geschreven.
Non-verbale communicatie De communicatie zonder woorden.
Intentionele communicatie Wat de zender bedoelt te communiceren.
Niet-intentionele communicatie Wat de ontvanger begrijpt maar de zender niet bedoelt te
communiceren.
Vocale communicatie Communicatie waarbij de stem wordt gebruikt.
Auditieve communicatie Communicatie met gesproken woorden of klanken, wordt ontvangen
door het oor.
Visuele communicatie Communicatie met beeld(en) wordt ontvangen door het oog.
Formele communicatie Geplande, systematische communicatie.
Informele communicatie Ongeplande en niet systematische communicatie.
Eenzijdige communicatie Alleen de zender communiceert.
Tweezijdige communicatie De zender en ontvanger communiceren .
Meerzijdige communicatie Meerdere zenders en ontvangers communiceren.
1.3 Selectiemechanisme
Selectieve blootstelling Niet alle media bereiken alle personen.
Selectieve perceptie Het hele proces van selectief oppikken en waarnemen van boodschappen.
Selectieve interpretatie Hoe je iets opvat en uitlegt.
Selectie acceptatie De boodschap wordt niet altijd geloofd.
Selectief herinnering Wordt niet altijd onthouden.
2