Kiezen voor het jonge kind
Hoofdstuk 6 Didactisch handelen
6.4 Didactische vaardigheden
6.4.1 Observeren
Goede observatie objectief
Oorzaken subjectieve observatie:
- Selectieve waarneming (alleen zien wat voor ons relevant is)
- Stemming (de wereld ziet er anders uit als we vrolijk en blij zijn)
- Oordelen en vooroordelen (voor- en afkeur voor sommige mensen)
- Projectie (eigen gevoelens of eigenschappen projecteren op anderen)
Professionele observatie:
- Zakelijkheid (aangeven wat feitelijk en aantoonbaar is)
- Gedetailleerdheid (niet alleen kijken wat het kind doet, maar ook hoe hij dat doet)
- Objectiviteit en onbevooroordeeldheid (geen voorkeur hebben voor bepaalde kinderen)
- Voorzichtigheid ten aanzien van conclusies en interpretaties (niet te snel conclusies trekken)
- Deskundigheid (we moeten wel kennis hebben van de gebieden die we observeren)
Goed observeren doe je door met kinderen in gesprek te gaan en met hen aan het werk te gaan
De leerkracht weet zo precies welke kinderen ze kan uitdagen en wie er extra hulp nodig hebben
Gericht observeren:
- Letten op één aspect (waar de onderzoeksvraag uit gevormd is)
- Je weet welke info je wilt verkrijgen
- Info niet direct gebruiken bij didactisch handelen
Systematisch handelen:
1. Signaleren
2. Onderzoeksvraag
3. Gericht observeren
4. Plan van aanpak
5. Evaluatie
Na de evaluatie kan er nogmaals gericht geobserveerd worden om te verbeteren
Kinddossier belangrijke doelen die we willen bereiken
Geen beoordeling maar een korte beschrijving van wat er gebeurde
Hier wordt ook het werk van de kinderen aan toegevoegd (zo ontstaat een portfolio)
Hoofdstuk 6 Didactisch handelen
6.4 Didactische vaardigheden
6.4.1 Observeren
Goede observatie objectief
Oorzaken subjectieve observatie:
- Selectieve waarneming (alleen zien wat voor ons relevant is)
- Stemming (de wereld ziet er anders uit als we vrolijk en blij zijn)
- Oordelen en vooroordelen (voor- en afkeur voor sommige mensen)
- Projectie (eigen gevoelens of eigenschappen projecteren op anderen)
Professionele observatie:
- Zakelijkheid (aangeven wat feitelijk en aantoonbaar is)
- Gedetailleerdheid (niet alleen kijken wat het kind doet, maar ook hoe hij dat doet)
- Objectiviteit en onbevooroordeeldheid (geen voorkeur hebben voor bepaalde kinderen)
- Voorzichtigheid ten aanzien van conclusies en interpretaties (niet te snel conclusies trekken)
- Deskundigheid (we moeten wel kennis hebben van de gebieden die we observeren)
Goed observeren doe je door met kinderen in gesprek te gaan en met hen aan het werk te gaan
De leerkracht weet zo precies welke kinderen ze kan uitdagen en wie er extra hulp nodig hebben
Gericht observeren:
- Letten op één aspect (waar de onderzoeksvraag uit gevormd is)
- Je weet welke info je wilt verkrijgen
- Info niet direct gebruiken bij didactisch handelen
Systematisch handelen:
1. Signaleren
2. Onderzoeksvraag
3. Gericht observeren
4. Plan van aanpak
5. Evaluatie
Na de evaluatie kan er nogmaals gericht geobserveerd worden om te verbeteren
Kinddossier belangrijke doelen die we willen bereiken
Geen beoordeling maar een korte beschrijving van wat er gebeurde
Hier wordt ook het werk van de kinderen aan toegevoegd (zo ontstaat een portfolio)