Kliniek en laboratorium stolling
Casus 1 – stollingsarts
- Oudere meneer, niet aanspreekbaar op CSO
- CT hersenen: bloeding
- Stollingsonderzoek
INR 3.9 (normaal 0.8-1.2) > stollingstijd van bloed
PT 37 s (normaal 9.0-12) > protrombine tijd, zegt iets over de bloedstolling via de
extrinsieke route van de stollingscascade
aPTT 46 s (normaal 23-33) > geactiveerde partiële tromboplastinetijd, aPTT zegt iets
over de intrinsieke stollingscascade.
Van nature is de INR waarde 1; een INR waarde van 3 betekent dat het bloed 3 keer zo
langzaam stolt. In plaats van in 15 seconden stolt het bloed pas na 45 seconden.
Een verlengde PT wijst op een probleem ergens in de extrinsieke route (stollingsfactor VII, V,
X of protrombine) van de stollingscascade, maar kan ook een gewenst effect zijn bij
bijvoorbeeld het gebruik van antistollingsmiddelen.
Een verlengde aPTT kan wijzen op een tekort aan de stollingsfactor VIII, IX, XI en/of XII.
Bij vitamine K tekort; een aantal stollingsfactoren niet te maken (1972: factor 10, 9, 7 en 2).
Vitamine K-antagonisten
- Bloedverdunners
- Worden vooral gegeven bij boezemfibrilleren en veneuze trombose, in 2013 aan
438.411 patiënten in Nederland (door trombosedienst).
- Risico: 1.3%/jaar ernstige bloeding, 0.3%/jaar hersenbloeding
- De stollingsfactoren FX, FIX, FVII en FII hebben een carboxylgroep (COOH) nodig om
functioneel te kunnen zijn.
- Carboxylatie is afhankelijk van vitamine K
- Vitamine K-antagonisten remmen de recycling van vitamine K, zodat de
carboxylgroep er niet aan gezet kan worden.
Instelling VKA
- Streef: meestal INR 2.5-3.5
- Veel variatie tussen, maar ook binnen patiënten
o Leverenzymen, genetisch
o Vitamine K inname (groene groentes)
o Bijkomende medicatie
o Innamepatroon
- Regelmatige controle door Trombosedienst
Alternatief voor VKA
- Directe remmers van factor X of factor II
- Nog relatief nieuw, veel gedoe over geweest in media (duur, bloedingscomplicaties)
Casus 1 – stollingsarts
- Oudere meneer, niet aanspreekbaar op CSO
- CT hersenen: bloeding
- Stollingsonderzoek
INR 3.9 (normaal 0.8-1.2) > stollingstijd van bloed
PT 37 s (normaal 9.0-12) > protrombine tijd, zegt iets over de bloedstolling via de
extrinsieke route van de stollingscascade
aPTT 46 s (normaal 23-33) > geactiveerde partiële tromboplastinetijd, aPTT zegt iets
over de intrinsieke stollingscascade.
Van nature is de INR waarde 1; een INR waarde van 3 betekent dat het bloed 3 keer zo
langzaam stolt. In plaats van in 15 seconden stolt het bloed pas na 45 seconden.
Een verlengde PT wijst op een probleem ergens in de extrinsieke route (stollingsfactor VII, V,
X of protrombine) van de stollingscascade, maar kan ook een gewenst effect zijn bij
bijvoorbeeld het gebruik van antistollingsmiddelen.
Een verlengde aPTT kan wijzen op een tekort aan de stollingsfactor VIII, IX, XI en/of XII.
Bij vitamine K tekort; een aantal stollingsfactoren niet te maken (1972: factor 10, 9, 7 en 2).
Vitamine K-antagonisten
- Bloedverdunners
- Worden vooral gegeven bij boezemfibrilleren en veneuze trombose, in 2013 aan
438.411 patiënten in Nederland (door trombosedienst).
- Risico: 1.3%/jaar ernstige bloeding, 0.3%/jaar hersenbloeding
- De stollingsfactoren FX, FIX, FVII en FII hebben een carboxylgroep (COOH) nodig om
functioneel te kunnen zijn.
- Carboxylatie is afhankelijk van vitamine K
- Vitamine K-antagonisten remmen de recycling van vitamine K, zodat de
carboxylgroep er niet aan gezet kan worden.
Instelling VKA
- Streef: meestal INR 2.5-3.5
- Veel variatie tussen, maar ook binnen patiënten
o Leverenzymen, genetisch
o Vitamine K inname (groene groentes)
o Bijkomende medicatie
o Innamepatroon
- Regelmatige controle door Trombosedienst
Alternatief voor VKA
- Directe remmers van factor X of factor II
- Nog relatief nieuw, veel gedoe over geweest in media (duur, bloedingscomplicaties)