Celdeling en Erfelijkheid
Hoofdstuk 3
Paragraaf 3.1
Robert Hooke heeft cellen ontdekt.
• De bouw van kurk lijkt op de kamers (cells) van monniken.
Theodor Schwann en Matthias Schleiden komen in 1837 met de celtheorie.
Basale concepten van de celtheorie:
1. Cellen zijn de bouwstenen van alle planten en dieren.
2. Cellen zijn de kleinste functionele eenheden van het leven.
3. Cellen ontstaan door de deling van al eerder bestaande cellen.
4. Elke cel handhaaft homeostase.
Cythologie: Het bestuderen van de structuur en functie van cellen → ook wel celleer genoemd.
Lichtmicroscopen en elektronmicroscopen zijn belangrijke instrumenten die hierbij worden gebruikt.
• Bij lichtmicroscopie worden meestal dunne plakjes bekeken die uit een groter weefsel zijn
gesneden. Een foto die door een lichtmicroscoop wordt gemaakt heet een microfoto’s (LM)
• Transmissie elektronenmicrofoto’s (TEM’s) zijn foto’s van zeer dunne plakjes waarin fijne
details van celmembranen en intracellulaire structuren zichtbaar zijn.
• Scanning elektronenfoto’s (SEM’s) geven een kleinere vergroting, maar daarmee kan de
driedimensionale aard van celstructuren zichtbaar worden gemaakt. Met een SEM wordt een
oppervlakteaanzicht van een cel of extracellulaire structuur verkregen in plaats van een
gedetailleerd aanzicht op doorsnede.
De afkortingen LM, TEM eb SEM worden gevolgd door een getal dat de totale vergroting van de
afbeelding aangeeft (bijvoorbeeld LM x 160).
Paragraaf 3.2
In je lichaam komen heel veel verschillende typen cellen voor. Elk type heeft een karakteristieke
bouw en functie.
Een cel is gevuld cytoplasma, geleiachtig vocht waarin water, eiwitten, vetten, koolhydraten, zouten
en organellen bevinden. Cytoplasma is een algemene term voor stoffen in de cel.
Organellen zijn structuren die elk hun eigen functie hebben.
Cel bevindt zich in een waterig milieu (extracellulair), tussen de cellen zit water (Interstitiële
vloeistof/ interne milieu). De plasmamembraan scheidt de cel inhoud → cytoplasma genoemd.
Cytoplasma bestaat uit:
• Cytosol of intracellulaire vloeistof.
• Organellen
De cel wordt meestal omgeven door een celmembraan (plasmamembraan).
1
, Organellen omgeven door een membraan:
• Celkern
• Mitochondrien
• Lysosomen
• Peroxisomen
Organellen NIET omgeven door een membraan:
• Cytoskelet
• Microville
• Centriolen
• Trilharen
• Zweepharen
• Ribosomen
• Proteasomen
De plasmamembraan scheidt de cel van zijn uitwendige milieu en vervult verschilde functies. De
plasmamembraan is buitengewoon dun (6 a 10 nm).
Functies plasmamembraan:
• Isolatie van de cel geven.
• Reguleren van de uitwisseling van stoffen met de omgeving van de cel.
• Stevigheid geven.
• Gevoeligheid voor de omgeving.
Het plasmamembraan bestaat uit:
• Dubbele laag fosfolipiden
Daartussen:
• Cholesterolmoleculen
• Eiwitten
• Koolhydraten
• Kleine hoeveelheden andere vetten.
2