Paragraaf 1
Fossielen = restanten van vroeger levende organismen.
⤷ Cuvier (1768-1832) bestudeerde fossielen en ontdekte dat fossielen uit verschillende
afzettingslagen niet lijken op levende organismen in dat gebied. Hij kwam met de
catastrofetheorie = door een catastrofe verdwenen alle levende organismen uit het
getroffen gebied. Door een nieuwe schepping ontstonden dan nieuwe soorten.
Evolutietheorie = verklaart hoe soorten veranderen en nieuwe ontstaan.
- Lamarck (1809) → Hij constateerde dat fossielen uit verschillende lagen
overeenkomsten in lichaamsbouw vertonen. Organismen verwerven tijdens hun
leven nieuwe eigenschappen verwerven als aanpassing aan hun omgeving.[1]
- Charles Darwin (1859) → Hij veronderstelde dat de leefomgeving een selectiedruk
uitoefent op de overlevingskansen van alle individuen. Individuen die het langst
overleven krijgen de meeste nakomelingen (survival of the fittest)
Neodarwinistische theorie = Darwins evolutietheorie + (Mendel) recombinatie van allelen
en mutaties in het DNA leiden tot variaties in de erfelijke eigenschapen.
Paragraaf 2
Natuurlijke selectie = ‘Struggle for life’ (1) + ‘Survival of the fittest’ (2).
1. In elke omgeving voeren organismen een dagelijkse strijd met soortgenoten om te
overleven. De omgeving oefent een selectiedruk uit op de overlevingskansen van
individuen.[1]
2. Individuen met gunstige eigenschappen hebben betere kansen in de strijd om het
bestand en krijgen de meeste nakomelingen.[1]
Mayr (1942) → Soorten kunnen van elkaar gescheiden worde door een barrière waardoor
voortplanting tussen individuen van beide populaties niet meer mogelijk is. Door barrières
kunnen in een aantal stappen nieuwe soorten ontstaan: Allopatrische soortvorming.
- De barrière splitst een populatie in tweeën.
- In beide populaties komen populaties voor, waardoor de eigenschappen veranderen.
- Bij het opheffen van de barrière herkennen ze elkaar niet meer als soortgenoot of
kunnen ze geen vruchtbare nakomelingen meer krijgen. Uit 1 soort ontstaan er 2.[1]
Sympatrische soortvorming (zonder barrière).
⤷ Seksuele selectie = De vrouwtjes kiezen selectief een mannetje.
Kunstmatige selectie = Het fokken van dieren of kweken van planten met gewenste
eigenschappen door de mens.
Alle hondenrassen behoren wel tot dezelfde diersoort: Canis lupus familiaris.
, Paragraaf 3
Allelfrequentie = De frequentie waarin allelen in een populatie voorkomen.
Populatiegenetica = Bestudeert de genetische samenstelling van populaties.
Genenpool = De erfelijke samenstelling van de populatie.
Gene flow = De migratie van allelen van de ene populatie naar een andere.
Genotypefrequentie = aantallen fenotypen / totale aantal personen.
Frequentieverdeling
Hardy-Weinberg-evenwicht
- Er is geen natuurlijke selectie.
- Mutaties en migratie spelen geen rol.
- De partnerkeuze berust op toeval.
Allelfrequentie
p+q=1
⤷ p is de allelfrequentie van het dominante allel
⤷ q is de allelfrequentie van het recessieve allel
Genotypefrequentie
(p+q) (p+q) = 1
p2 + 2pq + q2 = 1
⤷ p2 is de genotypefrequentie van de dominante homozygoot
⤷ 2pq is de genotypefrequentie van de heterozygoot
⤷ q2 is de genotypefrequentie van de recessieve homozygoot
⤷ Je kan vaststellen hoe constant de genenpool is.
Vergelijking van frequenties met de resultaten van twee generaties laat zien of er een gd is.
⤷ Genetic drift = Een verandering in de samenstelling van de genenpool.
Founder effect / stichtereffect = De genetische variatie in een gesloten gemeenschap is
kleiner dan in een open gemeenschap.
Paragraaf 4
Paleontologie = De wetenschap die fossielen bestudeert.
⤷ Reconstrueren het uiterlijk van uitgestorven organismen en hun leefwijze en brengen in
stambomen de verwantschap tussen fossielen en de huidige organismen in kaart.