Week 1 Borst
Maandag 4/11 HC Introductiecollege
Groeistoornissen
Gecontroleerde groeistoornissen (aanpassing, adaptatie) - kwantitatief of kwalitatief
Ongecontroleerde groeistoornissen (autonoom, tumorgroei) - goedaardige of kwaadaardige
tumoren
Kwantitatieve adaptatie
Hypertrofie: toename van weefsel -> orgaan wordt groter doordat de individuele cellen groter
wordt. Kan fysiologisch of pathologisch zijn. De cellen worden groter omdat ze niet meer
kunnen delen.
Hyperplasie: orgaan wordt groter doordat er een toename is van het aantal cellen. Kan
fysiologisch (borstvoeding, puberteit) en pathologisch zijn. Voorbeeld van pathologische situatie
= benigne prostaat hyperplasie (BHP)
Soms kunnen hyperplasie en hypertrofie samen voorkomen
Atrofie: afname van weefsel.
Kwalitatieve adaptatie
Metaplasie
o Verandering van het ene celtype naar het andere celtype op een plaats waar die
normaal niet voorkomt
o Compensatiemechanisme (bv bij chronische irritatie) waarbij een uitgerijpt
(gedifferentieerd) weefsel overgaat in een ander uitgerijpt weefsel:
Reversibel
Verandering in celtype dat beter bestand is tegen de ‘stress-situatie’
Vb van metaplasie: bronchusepitheel is cilindrisch. Dit weefsel kan door roken
(nicotine) metaplasie ondergaan en wordt dan plaveiselepitheel. Functie van
bronchusepitheel gaat verloren. Ander voorbeeld is reflux. Door reflux wordt het
meerlagig plaveiselepitheel in de slokdarm eenlagig cilindrisch epitheel.
Dysplasie (ongeorganiseerde groei)
o Abnormale rijping, waardoor het weefsel ordeloos wordt (architectuur); cellen zelf zien
er afwijkend uit (atypie)
o Verstoring architectuur, afwijkende cel- en kernmorfologie, verstoorde uitrijping,
mitosen in het gehele epitheel, gradering (gering, matig, ernstig (= carcinoma in situ
(CIS)), ontstaat vaak in metaplastisch epitheel (soms reversibel), niet altijd progressie
naar kanker.
*Bij CIS is er nog geen doorbraak door het epitheel heen, het is geen invasieve groei.
Ongecontroleerde groeistoornissen (tumorgroei)
,Neoplasma/neoplasie = nieuwvorming
Abnormale weefselmassa, waarvan de groei ongecontroleerd is en uitstijgt boven die van
normaal weefsel, ook na stoppen van de stimulus die de verandering veroorzaakte.
Tumor = zwelling, als synoniem gebruikt voor een neoplasma/neoplasie
Niet elke neoplasie vormt een tumor
Oncos = tumor, oncologie = leer van de neoplasma’s
Goedaardig (benigne) Kwaadaardig (maligne)
Expansieve groei Infiltratieve groei
Geen metastasen Kan wel metastaseren (uitzondering basaalcelcarcinoom
en gliomen)
Lage groeisnelheid Hoge groeisnelheid
Scherp begrensd en vaak een kapsel Onscherp begrens en meestal geen kapsel
Tonen zelden necrose Tonen vaak necrose
Tonen geringe cel/kernatypie Tonen sterke cel/kernatypie
Tonen geringe mitotische activiteit Tonen een hoge mitotische activiteit
Goed gedifferentieerd Goed, matig of slecht gedifferentieerd
Naamgeving neoplasie/tumor
Parenchym
Stroma: vaak desmoplastisch (littekenweefsel dat door de tumor gevormd wordt en dat je kan
voelen)
Naamgeving benigne tumoren
Epitheliaal
Cel in origine
Onderlinge samenhang van tumorcellen: macroscopisch of microscopisch patroon
Mesenchymaal (van bind- en steunweefsel (spier, vet, vaten, bot, kraakbeen))
Cel van origine + achtervoegsel –oom/-oma
Uitzonderingen: lymfoom, mesothelioom, melanoom, seminoom, neuroblastoom, teratoom.
Deze zijn maligne.
Adenoom – buisvormige differentiatie
Papilloom – vingervormige uitstulpingen
Cysteadenoom – holtevorming en buisvorming
Papillair cysteadenoom – vingervormige uitstulpingen in een holte
Poliep – tumor met of zonder steel uitstekend boven het slijmvlies
o Met buisvorming -> adenomateuze poliep
Naamgeving maligne tumoren
Epitheliaal
, Groeiwijze/epitheeltype + carcinoom
o Adenocarcinoom – vormt buizen (glandulair)
o Plaveiselcelcarcinoom – vormt velden +/- verhoorning
o Basaalcelcarcinoom – vormt velden
o Overgangsepitheelcarcinoom – vormt velden
Mesenchymaal
Cel van origine + sarcoom
Differentiatie
Definitie: in hoeverre lijkt de tumor nog morfologisch en functioneel op het origine weefsel. Benigne
tumoren zijn goed gedifferentieerd. Maligne tumoren zijn goed/matig/slecht gedifferentieerd.
Criteria differentiatie:
Polymorfie/pleomorfie/anisomorfie: variatie in vorm en grootte van cellen en/of kernen
Hyperchromasie/grofkorrelige chromatine: donkere kernen door meer DNA
Verstoring kern-cytoplasma ratio (grotere kern) en/of grote nucleoli
Toename aantal mitosen en/of atypische mitosen
Tumorreuscellen
Verstoring oriëntatie cellen (polariteis verlies)
Necrose
Metastasering is de tumorimplantatie los van primaire tumor. Dit is zeker een kenmerk van een
maligniteit. Vrijwel alle kankers kunnen metastaseren (behalve gliomen en basaalcelcarcinomen). De
metastasering bepaalt grotendeels de prognose. Het vermogen tot metastaseren niet af te lezen aan
histologie. Ten tijde van diagnose solide tumor in 30% al metastasen.
Wegen van metastasering: direct via doorgroei, lymfogeen, hematogeen of direct via
lichaamsholten/oppervlakten (subarachnoïdale holte, pleura, pericardium, peritoneum).
Moleculaire basis van kanker Het ontstaan van een tumor is in essentie terug te voeren op ontregeling
van de normale celcyclus. Een tumor ontstaat door clonale expansie van 1 cel, waarvan het genetische
materiaal beschadigd is. Voor het ontstaan van een kankercel zijn meerdere stappen nodig.
Oorzaken van kanker
Chemische carcinogenen
Fysische carcinogenen (zonlicht, straling)
Biologische carcinogenen (bacterie in lichaam, EBV, HPV)
Leeftijd ras, voeding (rood vlees), immuunsysteem
Onbekend
HC Pathologie van de mamma
Aangeleverde materiaal kan preoperatief of postoperatief zijn.
Met preoperatief materiaal doen we cytologisch of histologisch (naald of vacuüm) biopt
Met postoperatief materiaal doen we macroscopisch onderzoek
, Cytologie = losse cellen op een plaatje. Doe je met een dunne naald, die je in het weefsel heen en weer
beweegt, waardoor cellen worden opgezogen. Voordeel: heel snel, goedkoop, weinig invasief, hoge
DNA-kwaliteit. Nadeel: losse cellen ipv structuren, beperkt AO mogelijk, expertise belangrijk, geen
punctie bij architectuurverstoring of kalk, geen onderscheid tussen invasief/niet-invasief mogelijk.
Biopten:
Naaldbiopt: snel onderzoek en uitslag, goed AO op doen, vrij dun pijpje waardoor je ernaast kan
prikken. Niet geschikt als er architectuurverstoring of kalk is.
Vacuüm biopt: grotere massa uit de borst gehaald. Geschikt voor architectuurverstoring en kalk,
AO goed mogelijk, minder snel, invasief.
Als informatie voor een biopt heb je nodig: VG, radiologische informatie (kalk)
Postoperatief - na lumpectomie (verwijdering tumor in borst) of ablatio (verwijdering hele borst)
Noodzakelijke informatie: oriëntatie, voorbehandeling, eerdere operatie, hoeveel tumoren, locatie,
waar zijn eerdere biopten genomen, makers aanwezig, calcificaties of gebied van non-mass
enhancement, radiologische afmeting, klinisch of radiologisch verdenking op bedreigd resectievlak, extra
excisie?
Bij macroscopisch onderzoek halen ze de stukjes (noemen ze cassettes) eruit die ze verdacht vinden,
deze gaan ze microscopisch onderzoek. Van de cassettes maken ze coupes.
Pathologisch onderzoek
Histologisch onderzoek – we kijken om een diagnose, gradering, afmeting/radicaliteit en TNM-
classificatie te geven
Immunohistochemisch onderzoek (IHC) - voor diagnostische classificatie en eventueel
receptorstatus (ER/PR/Her2)
Aanvullend moleculair onderzoek – om te kijken wie er met anti-Her2 behandeld moet worden.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Normale mamma: lobjes zijn de eenheden waarin
melk geproduceerd worden, deze bestaan uit acini.
De acinaire structuur bestaat uit een luminale laag
en myoepitheel. Net buiten het myoepitheel zit het
basaalmembraan. Zolang je nog basaalmembraan
hebt is het niet maligne.
*Naarmate een vrouw ouder wordt krijgt ze meer
vetweefsel en minder bindweefsel in de borst.
*Eiwitrijk materiaal is altijd aanwezig in de borst,
ook in een inactieve borst.
*Om de lymfe-afvoer te bekijken, wordt er blauwe
vloeistof in de borst gespoten.
Benigne Premaligne Maligne
Architectuur Vaak behouden Vaak deels verstoord Verstoord
Myoepitheel Aanwezig Aanwezig Afwezig
Maandag 4/11 HC Introductiecollege
Groeistoornissen
Gecontroleerde groeistoornissen (aanpassing, adaptatie) - kwantitatief of kwalitatief
Ongecontroleerde groeistoornissen (autonoom, tumorgroei) - goedaardige of kwaadaardige
tumoren
Kwantitatieve adaptatie
Hypertrofie: toename van weefsel -> orgaan wordt groter doordat de individuele cellen groter
wordt. Kan fysiologisch of pathologisch zijn. De cellen worden groter omdat ze niet meer
kunnen delen.
Hyperplasie: orgaan wordt groter doordat er een toename is van het aantal cellen. Kan
fysiologisch (borstvoeding, puberteit) en pathologisch zijn. Voorbeeld van pathologische situatie
= benigne prostaat hyperplasie (BHP)
Soms kunnen hyperplasie en hypertrofie samen voorkomen
Atrofie: afname van weefsel.
Kwalitatieve adaptatie
Metaplasie
o Verandering van het ene celtype naar het andere celtype op een plaats waar die
normaal niet voorkomt
o Compensatiemechanisme (bv bij chronische irritatie) waarbij een uitgerijpt
(gedifferentieerd) weefsel overgaat in een ander uitgerijpt weefsel:
Reversibel
Verandering in celtype dat beter bestand is tegen de ‘stress-situatie’
Vb van metaplasie: bronchusepitheel is cilindrisch. Dit weefsel kan door roken
(nicotine) metaplasie ondergaan en wordt dan plaveiselepitheel. Functie van
bronchusepitheel gaat verloren. Ander voorbeeld is reflux. Door reflux wordt het
meerlagig plaveiselepitheel in de slokdarm eenlagig cilindrisch epitheel.
Dysplasie (ongeorganiseerde groei)
o Abnormale rijping, waardoor het weefsel ordeloos wordt (architectuur); cellen zelf zien
er afwijkend uit (atypie)
o Verstoring architectuur, afwijkende cel- en kernmorfologie, verstoorde uitrijping,
mitosen in het gehele epitheel, gradering (gering, matig, ernstig (= carcinoma in situ
(CIS)), ontstaat vaak in metaplastisch epitheel (soms reversibel), niet altijd progressie
naar kanker.
*Bij CIS is er nog geen doorbraak door het epitheel heen, het is geen invasieve groei.
Ongecontroleerde groeistoornissen (tumorgroei)
,Neoplasma/neoplasie = nieuwvorming
Abnormale weefselmassa, waarvan de groei ongecontroleerd is en uitstijgt boven die van
normaal weefsel, ook na stoppen van de stimulus die de verandering veroorzaakte.
Tumor = zwelling, als synoniem gebruikt voor een neoplasma/neoplasie
Niet elke neoplasie vormt een tumor
Oncos = tumor, oncologie = leer van de neoplasma’s
Goedaardig (benigne) Kwaadaardig (maligne)
Expansieve groei Infiltratieve groei
Geen metastasen Kan wel metastaseren (uitzondering basaalcelcarcinoom
en gliomen)
Lage groeisnelheid Hoge groeisnelheid
Scherp begrensd en vaak een kapsel Onscherp begrens en meestal geen kapsel
Tonen zelden necrose Tonen vaak necrose
Tonen geringe cel/kernatypie Tonen sterke cel/kernatypie
Tonen geringe mitotische activiteit Tonen een hoge mitotische activiteit
Goed gedifferentieerd Goed, matig of slecht gedifferentieerd
Naamgeving neoplasie/tumor
Parenchym
Stroma: vaak desmoplastisch (littekenweefsel dat door de tumor gevormd wordt en dat je kan
voelen)
Naamgeving benigne tumoren
Epitheliaal
Cel in origine
Onderlinge samenhang van tumorcellen: macroscopisch of microscopisch patroon
Mesenchymaal (van bind- en steunweefsel (spier, vet, vaten, bot, kraakbeen))
Cel van origine + achtervoegsel –oom/-oma
Uitzonderingen: lymfoom, mesothelioom, melanoom, seminoom, neuroblastoom, teratoom.
Deze zijn maligne.
Adenoom – buisvormige differentiatie
Papilloom – vingervormige uitstulpingen
Cysteadenoom – holtevorming en buisvorming
Papillair cysteadenoom – vingervormige uitstulpingen in een holte
Poliep – tumor met of zonder steel uitstekend boven het slijmvlies
o Met buisvorming -> adenomateuze poliep
Naamgeving maligne tumoren
Epitheliaal
, Groeiwijze/epitheeltype + carcinoom
o Adenocarcinoom – vormt buizen (glandulair)
o Plaveiselcelcarcinoom – vormt velden +/- verhoorning
o Basaalcelcarcinoom – vormt velden
o Overgangsepitheelcarcinoom – vormt velden
Mesenchymaal
Cel van origine + sarcoom
Differentiatie
Definitie: in hoeverre lijkt de tumor nog morfologisch en functioneel op het origine weefsel. Benigne
tumoren zijn goed gedifferentieerd. Maligne tumoren zijn goed/matig/slecht gedifferentieerd.
Criteria differentiatie:
Polymorfie/pleomorfie/anisomorfie: variatie in vorm en grootte van cellen en/of kernen
Hyperchromasie/grofkorrelige chromatine: donkere kernen door meer DNA
Verstoring kern-cytoplasma ratio (grotere kern) en/of grote nucleoli
Toename aantal mitosen en/of atypische mitosen
Tumorreuscellen
Verstoring oriëntatie cellen (polariteis verlies)
Necrose
Metastasering is de tumorimplantatie los van primaire tumor. Dit is zeker een kenmerk van een
maligniteit. Vrijwel alle kankers kunnen metastaseren (behalve gliomen en basaalcelcarcinomen). De
metastasering bepaalt grotendeels de prognose. Het vermogen tot metastaseren niet af te lezen aan
histologie. Ten tijde van diagnose solide tumor in 30% al metastasen.
Wegen van metastasering: direct via doorgroei, lymfogeen, hematogeen of direct via
lichaamsholten/oppervlakten (subarachnoïdale holte, pleura, pericardium, peritoneum).
Moleculaire basis van kanker Het ontstaan van een tumor is in essentie terug te voeren op ontregeling
van de normale celcyclus. Een tumor ontstaat door clonale expansie van 1 cel, waarvan het genetische
materiaal beschadigd is. Voor het ontstaan van een kankercel zijn meerdere stappen nodig.
Oorzaken van kanker
Chemische carcinogenen
Fysische carcinogenen (zonlicht, straling)
Biologische carcinogenen (bacterie in lichaam, EBV, HPV)
Leeftijd ras, voeding (rood vlees), immuunsysteem
Onbekend
HC Pathologie van de mamma
Aangeleverde materiaal kan preoperatief of postoperatief zijn.
Met preoperatief materiaal doen we cytologisch of histologisch (naald of vacuüm) biopt
Met postoperatief materiaal doen we macroscopisch onderzoek
, Cytologie = losse cellen op een plaatje. Doe je met een dunne naald, die je in het weefsel heen en weer
beweegt, waardoor cellen worden opgezogen. Voordeel: heel snel, goedkoop, weinig invasief, hoge
DNA-kwaliteit. Nadeel: losse cellen ipv structuren, beperkt AO mogelijk, expertise belangrijk, geen
punctie bij architectuurverstoring of kalk, geen onderscheid tussen invasief/niet-invasief mogelijk.
Biopten:
Naaldbiopt: snel onderzoek en uitslag, goed AO op doen, vrij dun pijpje waardoor je ernaast kan
prikken. Niet geschikt als er architectuurverstoring of kalk is.
Vacuüm biopt: grotere massa uit de borst gehaald. Geschikt voor architectuurverstoring en kalk,
AO goed mogelijk, minder snel, invasief.
Als informatie voor een biopt heb je nodig: VG, radiologische informatie (kalk)
Postoperatief - na lumpectomie (verwijdering tumor in borst) of ablatio (verwijdering hele borst)
Noodzakelijke informatie: oriëntatie, voorbehandeling, eerdere operatie, hoeveel tumoren, locatie,
waar zijn eerdere biopten genomen, makers aanwezig, calcificaties of gebied van non-mass
enhancement, radiologische afmeting, klinisch of radiologisch verdenking op bedreigd resectievlak, extra
excisie?
Bij macroscopisch onderzoek halen ze de stukjes (noemen ze cassettes) eruit die ze verdacht vinden,
deze gaan ze microscopisch onderzoek. Van de cassettes maken ze coupes.
Pathologisch onderzoek
Histologisch onderzoek – we kijken om een diagnose, gradering, afmeting/radicaliteit en TNM-
classificatie te geven
Immunohistochemisch onderzoek (IHC) - voor diagnostische classificatie en eventueel
receptorstatus (ER/PR/Her2)
Aanvullend moleculair onderzoek – om te kijken wie er met anti-Her2 behandeld moet worden.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Normale mamma: lobjes zijn de eenheden waarin
melk geproduceerd worden, deze bestaan uit acini.
De acinaire structuur bestaat uit een luminale laag
en myoepitheel. Net buiten het myoepitheel zit het
basaalmembraan. Zolang je nog basaalmembraan
hebt is het niet maligne.
*Naarmate een vrouw ouder wordt krijgt ze meer
vetweefsel en minder bindweefsel in de borst.
*Eiwitrijk materiaal is altijd aanwezig in de borst,
ook in een inactieve borst.
*Om de lymfe-afvoer te bekijken, wordt er blauwe
vloeistof in de borst gespoten.
Benigne Premaligne Maligne
Architectuur Vaak behouden Vaak deels verstoord Verstoord
Myoepitheel Aanwezig Aanwezig Afwezig