Zoë Abdoellakhan
Arte College 3HV
Natuurkunde H5 Samenvatting en Leerdoelen
Arte College 3HV
Paragraaf 7.1
Stoffen bestaan uit moleculen --> Deze zeer kleine deeltjes van een stof bepalen de
stofeigenschappen.
Een zuivere stof bestaat uit één soort moleculen.
Een mengsel bestaat uit verschillende soorten moleculen.
Moleculen vertonen de volgende eigenschappen:
Moleculen zijn erg klein.
Moleculen zijn altijd in beweging en kunnen tegen elkaar botsen.
Moleculen bewegen sneller als de temperatuur hoger is.
Moleculen trekken elkaar aan als ze dichtbij elkaar zitten.
Er zit niets tussen moleculen, zelfs geen lucht.
Moleculen zijn opgebouwd uit twee of meerdere atomen. Atomen zijn kleiner dan
moleculen.
De dichtheid geeft aan hoeveel massa van een stof in een bepaald volume zit. Dichtheid is
een stofeigenschap.
m
ρ¿
v
ρ de dichtheid in gram per kubieke centimeter (g/cm 3)
m de massa in gram (g)
v het volume in kubieke centimeter (cm3)
Zinken, zweven en drijven
- Als de dichtheid van stof 1 kleiner is dan de dichtheid van stof 2, zal stof 1 drijven.
- Als de dichtheid van stof 1 groter is dan de dichtheid van stof 2, zal stof 1 zinken.
- Als de dichtheid van stof 1 gelijk is aan de dichtheid van stof 2, zal stof 1 zweven.
, Zoë Abdoellakhan
Arte College 3HV
Paragraaf 7.2
De temperatuur is een maat voor de snelheid van de moleculen: hoe hoger de
temperatuur, hoe sneller de moleculen bewegen --> meer bewegingsenergie.
Om de temperatuur te verhogen moet je dus energie toevoeren. Die toegevoerde energie,
noem je warmte.
Verwarmen en soortelijke warmte
De hoeveelheid warmte die je aan een stof moet toevoeren om de temperatuur te laten
stijgen, hangt af van de massa van de te verwarmen stof, van de temperatuurverandering
en van de soortelijke warmte. De soortelijke warmte is de warmte die nodig is om 1 g van
een stof 1 ℃ in temperatuur te laten stijgen.
Q=c ∙ m∙ ∆ T
Q de warmte in joule (J)
c de soortelijke warmte in joule per graad (J/(g ∙ ℃ ))
m de massa in gram (g)
∆T (∆ T = Teind – Tbegin) de temperatuurverandering in graden Celsius (℃ ¿
Als een stof warmte krijgt toegevoerd -->∆ T = positief en dus Q = positief.
Als er bij een stof warmte vrijkomt --> ∆ T = negatief en dus Q = negatief.
Paragraaf 7.3
Als warmte van de ene plaats in een vaste stof wordt doorgegeven aan een andere plaats,
noem je dat geleiding. Het warmtetransport vindt plaats door bewegende (trillende)
moleculen. Metalen
Hogere temperatuur = Sneller bewegende (door te trillen) moleculen.
Arte College 3HV
Natuurkunde H5 Samenvatting en Leerdoelen
Arte College 3HV
Paragraaf 7.1
Stoffen bestaan uit moleculen --> Deze zeer kleine deeltjes van een stof bepalen de
stofeigenschappen.
Een zuivere stof bestaat uit één soort moleculen.
Een mengsel bestaat uit verschillende soorten moleculen.
Moleculen vertonen de volgende eigenschappen:
Moleculen zijn erg klein.
Moleculen zijn altijd in beweging en kunnen tegen elkaar botsen.
Moleculen bewegen sneller als de temperatuur hoger is.
Moleculen trekken elkaar aan als ze dichtbij elkaar zitten.
Er zit niets tussen moleculen, zelfs geen lucht.
Moleculen zijn opgebouwd uit twee of meerdere atomen. Atomen zijn kleiner dan
moleculen.
De dichtheid geeft aan hoeveel massa van een stof in een bepaald volume zit. Dichtheid is
een stofeigenschap.
m
ρ¿
v
ρ de dichtheid in gram per kubieke centimeter (g/cm 3)
m de massa in gram (g)
v het volume in kubieke centimeter (cm3)
Zinken, zweven en drijven
- Als de dichtheid van stof 1 kleiner is dan de dichtheid van stof 2, zal stof 1 drijven.
- Als de dichtheid van stof 1 groter is dan de dichtheid van stof 2, zal stof 1 zinken.
- Als de dichtheid van stof 1 gelijk is aan de dichtheid van stof 2, zal stof 1 zweven.
, Zoë Abdoellakhan
Arte College 3HV
Paragraaf 7.2
De temperatuur is een maat voor de snelheid van de moleculen: hoe hoger de
temperatuur, hoe sneller de moleculen bewegen --> meer bewegingsenergie.
Om de temperatuur te verhogen moet je dus energie toevoeren. Die toegevoerde energie,
noem je warmte.
Verwarmen en soortelijke warmte
De hoeveelheid warmte die je aan een stof moet toevoeren om de temperatuur te laten
stijgen, hangt af van de massa van de te verwarmen stof, van de temperatuurverandering
en van de soortelijke warmte. De soortelijke warmte is de warmte die nodig is om 1 g van
een stof 1 ℃ in temperatuur te laten stijgen.
Q=c ∙ m∙ ∆ T
Q de warmte in joule (J)
c de soortelijke warmte in joule per graad (J/(g ∙ ℃ ))
m de massa in gram (g)
∆T (∆ T = Teind – Tbegin) de temperatuurverandering in graden Celsius (℃ ¿
Als een stof warmte krijgt toegevoerd -->∆ T = positief en dus Q = positief.
Als er bij een stof warmte vrijkomt --> ∆ T = negatief en dus Q = negatief.
Paragraaf 7.3
Als warmte van de ene plaats in een vaste stof wordt doorgegeven aan een andere plaats,
noem je dat geleiding. Het warmtetransport vindt plaats door bewegende (trillende)
moleculen. Metalen
Hogere temperatuur = Sneller bewegende (door te trillen) moleculen.