Samenvatting anatomie periode 1
(kennistoets 1)
Hoorcollege 1: Wat zit er in je lichaam?
- Cel
- Weefsel -> Groep cellen met dezelfde vorm en functie.
- Orgaan -> Deel van het lichaam, waar je verschillende weefsels aantreft, die met elkaar
een functie hebben.
- Stelsel -> Een groep organen, die een bepaalde functie vervullen in het lichaam. (Denk
aan: bewegingsapparaat, zenuwstelsel, bloedvatenstelsel etc.)
Er zijn 4 typen weefsels:
1) Dekweefsel/ epitheel -> bekleding van het lichaam aan de binnen- en buitenkant.
Bescherming tegen mechanische invloed (bv. geweld) en chemische invloed (bv.
hardnekkige stoffen). Hier vindt ook kliervorming: secretie (productie) plaats (bv.
zweetklier)
2) Steunweefsel -> bindweefsel, kraakbeen, bot.
- Bindweefsel (zacht) -> cellen drijven in een tussenstof. Het type bindweefsel wordt
bepaald door vezels. Er bestaan 3 type vezels:
1. Collagene vezels -> vezels liggen in bundels, zijn trek/vast (niet elastisch).
2. Elastische vezels -> vezels liggen los verspreidt, zijn wel elastisch.
3. Reticulaire vezels -> dunne collagene (minder stevige) vezels liggen in een netwerk
vorm, zijn niet elastisch.
Er bestaan 3 typen bindweefsel:
1. Losmazig -> mix van collagene en elastische vezels, niet heel stevig/ niet heel los.
Is belangrijk om gaten in het lichaam op te vullen, de boel bij elkaar te houden en
speelt een rol bij de afweer.
2. Reticulair -> bestaat uit reticulaire vezels, is vooral te vinden in organen (vooral
milt en beenmerg)
3. Vezelig -> bevat van één van beide veel vezels > óf elastisch vezelig bindweefsel
> óf collageen vezelig
bindweefsel
- Kraakbeen (harder), er bestaan 3 typen kraakbeen:
1. Elastisch (oren, neus) -> is vervormbaar en springt terug in originele stand.
2. Vezelig (tussenwervelschijven) -> is heel stevig, want bestaat uit veel vezels. Óf
collageen óf elastisch.
3. Hyalien (gewrichten) -> glasachtig laagje aan uiteinde van botten ter bescherming,
bestaat uit collageen en elastische vezels.
, - Bot, kristallen in de tussenstof zorgen ervoor dat bot zo hard is.
3) Spierweefsel -> is in staat chemische energie om te zetten in mechanische energie.
Er zijn 3 soorten spierweefsel:
1. Hart -> alleen in het hart te vinden, werkt automatisch/ onwillekeurig.
2. Glad -> te vinden in wanden van organen, werkt onwillekeurig (is niet
beïnvloedbaar).
3. Dwarsgestreept -> te vinden in spieren van het bewegingsapparaat, werkt
willekeurig (kan je zelf aanspannen/ is beïnvloedbaar).
4) Zenuwweefsel -> te vinden in het centrale (hersenen + ruggenmerg) en perifere
(zenuwen) zenuwstelsel.
Zenuwen kunnen prikkels geleiden en omzetten in impulsen de hersenen verwerken
informatie. (Informatiegeleiding)
Het bewegingsapparaat bestaat uit: botten, gewrichten en spieren.
Hoorcollege 2: Het gewricht
Een gewricht (articulatio, art.) is een verbinding tussen 2 of meer botstukken. Er zijn 3 typen
gewrichten:
1) Articulatio fibrosa -> verbinding d.m.v. bindweefsel.
2) Articulatio cartilaginea -> verbinding d.m.v. kraakbeen.
3) Articulatio synovialis -> er bevindt ruimte/ een holte tussen de botdelen.
Elk gewricht heeft een kop (convex) en een kom (concaaf).
Kenmerken van een synoviaal gewricht zijn:
- Cavum articularis (holte) -> smal en dun, opgevuld met vloeistof.
- Capsula articularis (kapsel) -> houdt de vloeistof in de holte, bestaat uit 2 lagen:
1. Membrana synovialis -> is altijd bevestigd aan de rand van het gewrichtskraakbeen.
- Is de binnenste laag
- Bestaat uit losmazig bindweefsel
- Bevat veel bloedvaten, plasma kan zich via de
wand verplaatsen.
- Productie en resorptie van synovia
2. Membrana fibrosa
- Is de buitenste laag
- Bestaat uit vezelig bindweefsel, collageen
- Wisselend van dikte, door veel of weinig vezels
Veel vezels/ een dikke membrana fibrosa vormen
een gewrichtsband = een ligament.
(kennistoets 1)
Hoorcollege 1: Wat zit er in je lichaam?
- Cel
- Weefsel -> Groep cellen met dezelfde vorm en functie.
- Orgaan -> Deel van het lichaam, waar je verschillende weefsels aantreft, die met elkaar
een functie hebben.
- Stelsel -> Een groep organen, die een bepaalde functie vervullen in het lichaam. (Denk
aan: bewegingsapparaat, zenuwstelsel, bloedvatenstelsel etc.)
Er zijn 4 typen weefsels:
1) Dekweefsel/ epitheel -> bekleding van het lichaam aan de binnen- en buitenkant.
Bescherming tegen mechanische invloed (bv. geweld) en chemische invloed (bv.
hardnekkige stoffen). Hier vindt ook kliervorming: secretie (productie) plaats (bv.
zweetklier)
2) Steunweefsel -> bindweefsel, kraakbeen, bot.
- Bindweefsel (zacht) -> cellen drijven in een tussenstof. Het type bindweefsel wordt
bepaald door vezels. Er bestaan 3 type vezels:
1. Collagene vezels -> vezels liggen in bundels, zijn trek/vast (niet elastisch).
2. Elastische vezels -> vezels liggen los verspreidt, zijn wel elastisch.
3. Reticulaire vezels -> dunne collagene (minder stevige) vezels liggen in een netwerk
vorm, zijn niet elastisch.
Er bestaan 3 typen bindweefsel:
1. Losmazig -> mix van collagene en elastische vezels, niet heel stevig/ niet heel los.
Is belangrijk om gaten in het lichaam op te vullen, de boel bij elkaar te houden en
speelt een rol bij de afweer.
2. Reticulair -> bestaat uit reticulaire vezels, is vooral te vinden in organen (vooral
milt en beenmerg)
3. Vezelig -> bevat van één van beide veel vezels > óf elastisch vezelig bindweefsel
> óf collageen vezelig
bindweefsel
- Kraakbeen (harder), er bestaan 3 typen kraakbeen:
1. Elastisch (oren, neus) -> is vervormbaar en springt terug in originele stand.
2. Vezelig (tussenwervelschijven) -> is heel stevig, want bestaat uit veel vezels. Óf
collageen óf elastisch.
3. Hyalien (gewrichten) -> glasachtig laagje aan uiteinde van botten ter bescherming,
bestaat uit collageen en elastische vezels.
, - Bot, kristallen in de tussenstof zorgen ervoor dat bot zo hard is.
3) Spierweefsel -> is in staat chemische energie om te zetten in mechanische energie.
Er zijn 3 soorten spierweefsel:
1. Hart -> alleen in het hart te vinden, werkt automatisch/ onwillekeurig.
2. Glad -> te vinden in wanden van organen, werkt onwillekeurig (is niet
beïnvloedbaar).
3. Dwarsgestreept -> te vinden in spieren van het bewegingsapparaat, werkt
willekeurig (kan je zelf aanspannen/ is beïnvloedbaar).
4) Zenuwweefsel -> te vinden in het centrale (hersenen + ruggenmerg) en perifere
(zenuwen) zenuwstelsel.
Zenuwen kunnen prikkels geleiden en omzetten in impulsen de hersenen verwerken
informatie. (Informatiegeleiding)
Het bewegingsapparaat bestaat uit: botten, gewrichten en spieren.
Hoorcollege 2: Het gewricht
Een gewricht (articulatio, art.) is een verbinding tussen 2 of meer botstukken. Er zijn 3 typen
gewrichten:
1) Articulatio fibrosa -> verbinding d.m.v. bindweefsel.
2) Articulatio cartilaginea -> verbinding d.m.v. kraakbeen.
3) Articulatio synovialis -> er bevindt ruimte/ een holte tussen de botdelen.
Elk gewricht heeft een kop (convex) en een kom (concaaf).
Kenmerken van een synoviaal gewricht zijn:
- Cavum articularis (holte) -> smal en dun, opgevuld met vloeistof.
- Capsula articularis (kapsel) -> houdt de vloeistof in de holte, bestaat uit 2 lagen:
1. Membrana synovialis -> is altijd bevestigd aan de rand van het gewrichtskraakbeen.
- Is de binnenste laag
- Bestaat uit losmazig bindweefsel
- Bevat veel bloedvaten, plasma kan zich via de
wand verplaatsen.
- Productie en resorptie van synovia
2. Membrana fibrosa
- Is de buitenste laag
- Bestaat uit vezelig bindweefsel, collageen
- Wisselend van dikte, door veel of weinig vezels
Veel vezels/ een dikke membrana fibrosa vormen
een gewrichtsband = een ligament.