Handleiding;
Het maken van een
Natuurwetenschappelijk verslag
__________________________________________________________________________________
, __________________________________________________________________________________
Van ieder natuurwetenschappelijk onderzoek wordt er een verslag gemaakt over het experiment en
over de gevonden resultaten van het onderzoek. Dit gaat altijd volgens een vaste methode, zodat
iedereen die het verslag leest precies weet wat er gedaan is en het experiment op dezelfde wijze
opnieuw uit zou kunnen voeren. Deze handleiding geeft de richtlijnen voor het schrijven van een
natuurwetenschappelijk verslag. Je kunt het dan ook gebruiken bij de vakken natuurkunde,
scheikunde, biologie, ANW en voor bijvoorbeeld je profielwerkstuk.
Een goed verslag bestaat minimaal uit de volgende onderdelen:
LET OP: géén van deze onderdelen bevat persoonlijke voornaamwoorden of bijvoeglijke
naamwoorden zoals wij, ik, onze etc. Dit betekent dat alles in de passieve vorm geschreven moet
worden.
1. Titel
Een goede titel vertelt compact en duidelijk waar het experiment over gaat; alle sleutelwoorden
(variabelen) en ook de naam van de proefplant/het dier staan erin. De beste titel is de kortst mogelijke
zin die de inhoud van het verslag volledig dekt.
Voorbeeld: “Maximale fotosynthesesnelheid van tomatenplanten opgekweekt bij hoog en laag licht” is
een betere titel dan “Fotosynthese bij tomatenplanten”.
Geef op het titelblad ook de namen van de onderzoekers, je klas, het vak en je docent aan.
2. Inleiding (bestaat uit 3 delen)
Alle drie de onderdelen worden geschreven in de tegenwoordige tijd.
1. Korte inleiding
Met een aantal algemene beschrijvende zinnen wordt het onderzoek in een breder kader geplaatst,
zodat de lezer weet in welk deelgebied van de wetenschap hij is beland en wat de achtergrond is van
het onderzoek. Het geeft aan wat er vanuit de literatuur en eerdere onderzoeken al bekend is over het
probleem waaraan je werkt en waarom het dus interessant is om die vraagstelling aan te pakken. Je
leidt dus eigenlijk je probleemstelling in.
Voorbeeld: als je een verslag maakt over amylase geef je aan wat enzymen zijn, beschrijf je de functie
van amylase en noem je het substraat en het product van amylase is.
2. Probleemstelling (doel van het onderzoek)
De probleemstelling of onderzoeksvraag is de vraag die je in het experiment gaat onderzoeken. Een
goede probleemstelling:
- is niet te algemeen;
Dus niet: “Wat is de invloed van licht op plantengroei?”, maar “Wat is de invloed van licht op
de lengtegroei bij tuinkers?”
- bevat maar één probleem tegelijk (vermijd ....of...);
Dus niet: “Vindt er verdamping plaats aan de bovenzijde of aan de onderzijde van het blad?”,
maar “Via welk gedeelte van de bladeren vindt er verdamping plaats?”
- bevat geen details van de uitvoering van het experiment;
Dus niet: “Wat is de invloed van 10°C, 15°C en 20°C op het kiemingspercentage van
tuinkers?”, maar “Wat is de invloed van temperatuur op het kiemingspercentage van
tuinkers?”.
- is (zo mogelijk) een open vraag.
3. Hypothese
De hypothese is het verwachte antwoord op je vraagstelling die getoetst gaat worden in het
experiment. Aan de hand van de resultaten van ander onderzoek, naslagwerken en/of internet heb je
zelf al een idee gevormd over wat het mogelijke antwoord is. De hypothese is dus nooit een gok, maar
iets dat je hebt afgeleid van de dingen die je al weet. Je stelt je hypothese dus op voordat je aan het
experiment begint en verandert deze niet gedurende je onderzoek.
Een goede hypothese:
__________________________________________________________________________________