Onderzoek in de gezondheidszorg
Bakker en Van Buren (2014)
Hoofdstuk 7 Vragenlijsten
7.1 Hoe ontwerp je een vragenlijst?
Vragenlijst/enquête/schaal
Opstellen van een vragenlijst begrippen uit de onderzoeksvraag bekijken en groepen.
Theoretische begrippen formuleren is niet met een vraag te meten. Hiervoor is een
vertaalslag nodig.
- Voor ieder begrip kan je een of meerdere verschijnselen aanwijzen die het
theoretische begrip vertegenwoordigen.
- Per verschijnsel geef je aan hoe ze gemeten moeten worden.
- Voor ieder onderdeel een aantal vragen formuleren. De vragen van de verschillende
onderdelen meten eenzelfde aspect van het te onderzoeken begrip. Dit wordt een
subschaal.
- Daarna wordt beschreven hoe de waarden voor elk van de subschalen samen een
totaalscore vormen. Zodat één waarde per proefpersoon overblijft.
Voorbeeld voor het maken van een vragenlijst voor theoretische begrippen:
catastroferen is het theoretisch begrip.
De drie subschalen samen zeggen iets over de mate van catastrofale gedachten over pijn.
7.2 Vragen en antwoorden
Vragen in een vragenlijst = de waarden van een bepaalde variabele voor een bepaalde
proefpersoon meten. De begrippen meten en motiveren zijn belangrijk bij het formuleren van
vragen.
7.2.1 Soorten vragen
Vraagvormen:
- Open en gesloten vragen
Open vraag niet met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. De persoon kan zelf een
antwoord formuleren. Deze vragen zijn vaak moeilijk samen te vatten en te
interpreteren.
Gesloten vraag antwoordmogelijkheden liggen al vast. De persoon hoeft
alleen nog te kiezen voor het antwoord dat het beste past.
- Directe en indirecte vragen
Directe vragen variabele is onmiddellijk te herkennen. Vraag wordt duidelijk
en strikt gesteld.
Indirecte vragen Worden gesteld wanneer de vraag gevoelig kan liggen.
Vragen worden met een omweg gesteld.
- Vragen en stellingen of uitspraken
Bakker en Van Buren (2014)
Hoofdstuk 7 Vragenlijsten
7.1 Hoe ontwerp je een vragenlijst?
Vragenlijst/enquête/schaal
Opstellen van een vragenlijst begrippen uit de onderzoeksvraag bekijken en groepen.
Theoretische begrippen formuleren is niet met een vraag te meten. Hiervoor is een
vertaalslag nodig.
- Voor ieder begrip kan je een of meerdere verschijnselen aanwijzen die het
theoretische begrip vertegenwoordigen.
- Per verschijnsel geef je aan hoe ze gemeten moeten worden.
- Voor ieder onderdeel een aantal vragen formuleren. De vragen van de verschillende
onderdelen meten eenzelfde aspect van het te onderzoeken begrip. Dit wordt een
subschaal.
- Daarna wordt beschreven hoe de waarden voor elk van de subschalen samen een
totaalscore vormen. Zodat één waarde per proefpersoon overblijft.
Voorbeeld voor het maken van een vragenlijst voor theoretische begrippen:
catastroferen is het theoretisch begrip.
De drie subschalen samen zeggen iets over de mate van catastrofale gedachten over pijn.
7.2 Vragen en antwoorden
Vragen in een vragenlijst = de waarden van een bepaalde variabele voor een bepaalde
proefpersoon meten. De begrippen meten en motiveren zijn belangrijk bij het formuleren van
vragen.
7.2.1 Soorten vragen
Vraagvormen:
- Open en gesloten vragen
Open vraag niet met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. De persoon kan zelf een
antwoord formuleren. Deze vragen zijn vaak moeilijk samen te vatten en te
interpreteren.
Gesloten vraag antwoordmogelijkheden liggen al vast. De persoon hoeft
alleen nog te kiezen voor het antwoord dat het beste past.
- Directe en indirecte vragen
Directe vragen variabele is onmiddellijk te herkennen. Vraag wordt duidelijk
en strikt gesteld.
Indirecte vragen Worden gesteld wanneer de vraag gevoelig kan liggen.
Vragen worden met een omweg gesteld.
- Vragen en stellingen of uitspraken