Casus 1.
Rashid kwam op 12 april 1993 in België aan. De dag nadien, op 13 april 1994, verklaarde hij zich
vluchteling. Zijn asielaanvraag werd echter onontvankelijk verklaard, en hij kreeg op 7
september 1994 een bevel om het grondgebied te verlaten. Rashid ging nog in beroep tegen deze
beslissing, maar zijn beroep werd verworpen.
Op 7 maart 1996 diende hij een nieuwe asielaanvraag in opdat hij in België zou kunnen blijven,
maar ook die werd geweigerd. Op 22 januari 1997 kreeg hij opnieuw een bevel om het
grondgebied te verlaten. Rashid gaf echter niet op, en op 25 maart 1997 diende hij nog een keer
een asielaanvraag in. Deze keer werd de aanvraag op 5 november 1997 ontvankelijk verklaard.
Later, op 19 januari 2001, vroeg hij een regularisatie aan. Deze werd op 14 januari 2003
ingewilligd. Vanaf die datum verblijft Rashid wettig in België. Rashid begint onmiddellijk aan de
zoektocht naar werk. Helaas verloopt deze zoektocht moeilijk. Rashid denkt dat dit komt
omwille van zijn nationaliteit.
Op 25 oktober 2003 legt Rashid een verklaring tot verkrijging van de Belgische nationaliteit af
voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van Antwerpen. Hij deed dit op basis van artikel
12bis, §1, 3° van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (WBN), dat als volgt luidt:
“§1. De Belgische nationaliteit kunnen verkrijgen door een verklaring af te leggen
overeenkomstig § 2 van dit artikel, indien zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt:
….
3° de vreemdeling die sedert ten minste zeven jaar zijn hoofdverblijf in België heeft
gevestigd en die, op het tijdstip van de verklaring gemachtigd is of toegelaten werd tot een
verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of toegelaten werd om er zich te vestigen.
…”
Artikel 299 van de Programmawet van 27 december 2004 luidt als volgt:
“Artikel 12bis, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit,
vervangen bij de wet van 1 maart 2000 wordt uitgelegd in de zin dat het alleen van
toepassing is op de vreemdelingen die zich kunnen beroepen op zeven jaar
hoofdverblijfplaats gedekt door een wettelijk verblijf.”
De procureur des Konings bracht op 10 februari 2004 een negatief advies uit bij de verklaring
tot verkrijging van de Belgische Nationaliteit van Rashid , omdat Rashid op dat moment nog geen
7 jaar wettig verbleef in België. Volgens de procureur begon het wettige verblijf pas te lopen
vanaf de regularisatie op 14 januari 2003. Voorgaande periodes, waarin Rashid asiel aanvroeg of
niet wettig in België verbleef, tellen volgens de overheid niet mee.
Rashid is het niet eens met deze beslissing. Hij vindt dat hij op basis van het Wetboek van de
Belgische nationaliteit (WBN) zijn volledige verblijf sinds 1994 kan laten meetellen, gezien hij
sindsdien onafgebroken in België woont en probeert te integreren. Hij beslist om de beslissing
aan te vechten voor de rechtbank op 2 januari 2005. Hij vindt het niet kunnen dat de
programmawet de opgebouwde rechten onder art 12bis WBN retroactief teniet doet.
U bent rechter in deze zaak. Hoe beoordeelt u de vordering van Rashid? Leg uit en verwijs
naar de relevante rechtsgrond(en).
, Programmawet kwalificeren = interpretatieve wet / uitleggingswet
=> bestaande bepaling uitleggen
2 voorwaarden waar zo een interpretatieve wet aan moet voldoen:
o 1) Huidige wet moet onduidelijk zijn, onzekerheid uitschijnen
o 2) Onduidelijkheid oplossen
Op wat kunnen we de interpretatieve wet dan toepassen? Op wat voor type feiten? => op feiten
van het verleden (art 7 Ger.W.)
Als rechter zaak voor zich heeft, dat nog hangend is, dan moet hij de uitleggingswet op
die situatie voordoen
Toegepast op deze casus: de nieuwe interpretatieve wet is diegene die gevolgd moet worden, en
zijn wettig verblijf is dus pas vanaf 2003, Rashid zal dus ongelijk krijgen