Inhoudsopgave:
- Week 1: Introductie tot EBMH attitude & levels of evidence
Artikel 1: Clancy, M.J. (2002). Overview of research designs.
Artikel 2: Koster, Pieters, Hoorelbeke, & De Putter (2018). Evidence-based
werken binnen de klinische psychologie: efficiënt informatie zoeken.
Artikel 3: Bouman, Raes, & De Jong, (2018). Evidence-based practice: de
verhouding tussen clinicus, patiënt en wetenschap.
Artikel 4: Sackett, D. L., Rosenberg, W. M. C., Gray, J. A. M., Haynes, R. B.,
& Richardson, W. S. (1996). Evidence based medicine: What it is and what
it isn’t.
Artikel 5: Hoofdstuk 1: Kinderen en adolescenten met psychische
klachten. Uit: Braet & Bögels, (2020). Protocollaire behandelingen voor
kinderen en adolescenten met psychische klachten.
- Week 2: Richtlijnen en protocollen
Artikel 1: Pilling (2012). Developing clinical guidelines for adults:
experience from the National Institute for health and Clinical Excellence.
Artikel 2: Waller & Turner: Het terugdringen van therapeutische dwaling.
Artikel 3: Johnson, Hoffart, Havik & Nordgreen: A survey of clinical psychologists’
attitudes toward treatment manuals.
Artikel 4: Greeven & van Sambeek: Hoe evidence-based werken cognitief
gedragstherapeuten in de praktijk?
Artikel 5: Protocollenwijzer: evidence-based werken in de kinder- en
jeugdpsychotherapie: richtlijnen en trends.
Artikel 6: Boek van Keijsers, Minnen, Verbraak, Hoogduin & Emmelkamp:
Hoofdstuk 1: Toepassing van protocollaire behandelingen bij Psychische
stoornissen
Artikel 7: Boek van Keijsers, Minnen, Verbraak, Hoogduin & Emmelkamp:
Hoofdstuk 8: Protocollaire behandeling van patiënten met een
obsessieve-compulsieve stoornis
- Week 3: Meta-analyse en literatuuronderzoek
Artikel 1: Cuijpers. Introduction. What are meta analyses and why are they
important?
Artikel 2: Guyatt, Oxman, Kunz, Vist, Falck-Ytter & Schünemann: GRADE:
What is 'quality of evidence' and why is it important to clinicians?
Artikel 3: Page et al: The PRISMA 2020 statement: an updated guideline
for reporting systematic reviews.
Artikel 4: Weisz et al: What five decades of research tells us about the
effects of youth psychological therapy: A multilevel meta-analysis and
implications for science and practice.
Artikel 5: De Vries et al: The cumulative effect of reporting and citation
biases on the apparent efficacy of treatments: The case of depression.
Artikel 6: Hoorelbeke, Pieters, de Putter & Koster: Van artikel tot klinische
praktijk.
- Week 4 Randomized Controlled Trials (RCT’s)
Artikel 1: Dragioti, Dimoliatis, Fountoulakis & Evangelou: A systematic
appraisal of allegiance effect in randomized controlled trials of
psychotherapy.
Artikel 2: Lilienfeld, McKay & Hollon: Why randomised controlled trials of
psychological treatments are still essential.
Artikel 3: Gresham: Measuring and analyzing treatment integrity data in
research.
, Artikel 4: Grant, Mayo-Wilson, Montgomery, Macdonald, Michie, Hopewell
& Yaffe : CONSORT-SPI 2018 Explanation and Elaboration: guidance for
reporting social and psychological intervention trials.
- Week 5: Integratie van geleerde concepten: Critically Appraised Topic
(CAT)
Artikel 1: David, Jay Lynn, & Montgomery, Hoofdstuk 1: An Introduction to
the Science and Practice of Evidence-Based Psychotherapy.
Artikel 2: CAT schrijven per stap, met voorbeelden.
Artikel 3: Norcross & Lambert: Hoofdstuk 18: What Works in the
Psychotherapy Relationship: Results, Conclusions, and Practices.
Artikel 4: Liber: Evidence-based behandelen bij kinderen en adolescenten.
- Week 7: Toepassing in de praktijk
Artikel 1: Wilson, G.T. (1996). Manual based treatments: the clinical
application of research findings.
Artikel 2: Shafran et al. (2009). Mind the gap: Improving the dissemination
of CBT.
Artikel 3: Sawchuk et al., (2020). What to Do When Evidence-Based
Treatment Manuals Are Not Enough?
Artikel 4: Olatunji, Deacon, & Abramowitz, (2009). The Cruelest Cure?
Ethical Issues in the Implementation of Exposure-Based Treatments.
Video: Maartje Schoorl
,Week 1: Introductie tot EBMH attitude & levels of evidence
Artikel 1: Clancy, M.J. (2002). Overview of research designs.
Het artikel bespreekt de uitdagingen voor onderzoekers bij het vaststellen van “de
waarheid” en biedt een overzicht van onderzoeksontwerpen en de bijbehorende
afwegingen. Het richt zich op hoe onderzoeksdesigns de interne validiteit kunnen
waarborgen door bedreigingen zoals bias, confounding en toeval te minimaliseren
Bias = systematische afwijking van de waarheid die onderzoeksresultaten kan
vertekenen
- Selectiebias: de deelnemers verschillen systematisch van de populatie,
bijvoorbeeld vrijwilligers zijn vaak gezonder en beter opgeleid. Dit beïnvloedt de
generaliseerbaarheid (externe validiteit)
Randomisatie in interventiestudies kan selectie-bias vermijden
- Interventiebias: ongelijke toepassing van behandelingen/interventies kan de
effectiviteit overschatten of onderschatten
Patiënten die hun interventie slecht naleven, verkleinen de kans op
effectiviteit
- Follow-up bias: verlies van deelnemers kan de resultaten beïnvloeden >
patiënten die in een onderzoek blijven, kunnen verschillen van patiënten die
uitvallen, zowel wat betreft persoonlijke kenmerken als uitkomststatus
Kan worden verminderd door verschillende contactmethoden te gebruiken
(bijv. mail, telefoon) en gevoeligheidsanalyses uit te voeren
- Meet- en informatiebias: wanneer onderzoekers of deelnemers kennis
hebben van interventies of uitkomsten, kan dit de beoordeling beïnvloeden
Kan verminderd worden door herhaalde metingen, training van
onderzoekers, het gebruik van zo objectief mogelijke meetinstrumenten
en het raadplegen van meerdere informatiebronnen
Blinderen van de proefpersonen, onderzoekers en statistici kan helpen om
bias te verminderen, vooral wanneer kennis van de behandeling of
uitkomst de resultaten kan beïnvloeden
Belangrijkste manier om bias te verminderen is door de mogelijke vertekende
gebieden te identificeren en het onderzoeksontwerp hierop aan te passen. Het
vergroten van de steekproefgrootte helpt niet om bias te verminderen, omdat bias
een probleem van het ontwerp is, niet van de steekproefgrootte
Confounding = een andere 3e variabele is zowel met de blootstelling als de uitkomst
geassocieerd, waardoor een schijnbaar effect ontstaat (vertekend beeld door 3 e
variabele)
- Voorbeeld: Hogere sterfte bij trauma als een patiënt behandeld wordt door een
senior versus een junior arts; confounding door ernst van letsel
- In gerandomiseerde gecontroleerde trials (RCT’s) wordt het risico op
confounding kleiner doordat willekeurige toewijzing de groepen in balans
brengt, zowel voor bekende als onbekende verstorende factoren
- Bij observationele studies blijft confounding altijd een risico. Er zijn methoden
om dit deels te controleren:
, Ontwerpfase
Restrictie: alleen deelnemers met hetzelfde niveau van de confounder
selecteren (goed voor interne validiteit, maar beperkt
generaliseerbaarheid)
Matching: voor elke patiënt een controle met dezelfde waarde van de
confounder kiezen (behoudt generaliseerbaarheid, maar is duur en
beperkt analyse van die variabele)
Analysefase
Stratificatie: resultaten apart berekenen per subgroep met dezelfde
waarde van de confounder. Dit werkt alleen voor een beperkt aantal
confounders
Statistische modellen (zoals lineaire of logistische regressie): maken het
mogelijk meerdere confounders tegelijk te corrigeren
Belangrijk: in tegenstelling tot RCT’s, neemt het probleem van confounding in
observationele studies niet af bij grotere steekproeven
Chance
- Toeval kan zelfs bij randomisatie leiden tot scheve verdelingen van
eigenschappen tussen groepen, vooral bij kleine steekproeven
- Grote steekproeven en statistische aanpassing (correctie voor belende
confounders) kunnen dit effect verminderen.
Overzicht van onderzoeksontwerpen
Evaluatieve studies: Gericht op het bepalen van associaties tussen
blootstelling/interventie en uitkomst. Het kernidee van evaluatieve studies is
vergelijking, wat cruciaal is voor conclusies over wat normaal of abnormaal is, of om
te bepalen of een behandeling het verloop van een ziekte verbetert
- Experimenteel: Onderzoeker manipuleert interventie
RCTs: Gold standard, intern valide maar soms minder extern valide. Ze
zijn vaak verklarend (laten zien wat mogelijk is onder ideale
omstandigheden) in plaats van pragmatisch (reflecteren de werkelijkheid
van de gezondheidszorg)
Niet-RCT experimenten/community trials: Extern valide maar vaak
intern minder valide.
- Observationeel: Onderzoeker observeert zonder interventie
Cohortstudies: 2 of meer groepen met verschillende blootstellingen
volgen in de tijd om ziekte-incidentie te vergelijken. Prospectief van opzet
(blootstelling gemeten voor de uitkomst), zodat causaliteit kan worden
geëvalueerd
Case-control studies: vergelijken mensen met en zonder ziekte om
verschillen in eerdere blootstellingen te identificeren, om de oorzaak te
identificeren. Retrospectief, kunnen meerdere blootstellingen beoordelen,
snel en klein van opzet, maar risico op recall bias en selectie van controles
Probleem observationeel onderzoek: externe validiteit goed, maar interne
validiteit kan worden bedreigd door onbekende confounders. Daarom blijft de RCT
de voorkeursmethode indien ethisch, praktisch en geschikt.
Kwalitatief onderzoek
- Doel: begrijpen van sociale fenomenen en betekenisgeving in natuurlijke
contexten