Rechtssubjectiviteit: rechten en plichten
- Van oudsher waren staten de enige rechtssubjecten binnen het internationaal recht: zij
hebben rechten en plichten. Tegenwoordig geldt dit ook, in mindere mate, voor
internationale organisaties, personen en bijzondere entiteiten zoals de Heilige Stoel
(Vaticaan).
- Het internationaal recht geeft geen bevoegdheden aan staten; deze vloeien voort uit
hun soevereiniteit. Staten zijn door hun soevereiniteit de belangrijkste
rechtssubjecten binnen het internationaal publiekrecht. Dit volgt uit het
effectiviteitsbeginsel: staten oefenen onafhankelijk van andere staten effectief gezag
uit over hun grondgebied en bevolking.
- Doordat staten soeverein zijn, is er niemand boven hen die hen bindt of voorschrijft
wat zij moeten doen >>> Daarom kunnen staten zelf besluiten verdragen te sluiten,
internationale betrekkingen aan te gaan, en zich vrijwillig te binden aan
internationale verplichtingen.
- Deze mogelijkheid tot deelname aan het internationaal recht bestaat dus juist dankzij
hun soevereiniteit.( je zou denken soevereiniteit vs internationaal recht botst maar nee)
- Uit ditzelfde beginsel vloeit het non-interventiebeginsel voort: staten mogen zich niet
mengen in de interne aangelegenheden van andere staten.
- Staten zijn formeel gelijk art 2 lid 1 VN-Handvest, maar in de praktijk is er
ongelijkheid, bijvoorbeeld door het vetorecht
Criteria van een staat: art 1 montevideo verdrag: moet aanwezig zijn bij ontstaan ( later mnu)
A) Bevolking: alle personen op een grondgebied met enige permanentie(
nomaden/migranten/burgers/toeristen/zakenlieden)
B) Gedefineerd grondgebied: land/lucht/territoriale zee. Er is slechts een
kerngebied nodig grenzen hoeven niet vast te liggen en geschillen doen niets af
HOE KOM JE AAN GRONDGEBIED?
- Terra nullius: niemandsland> dunbevolkt/onbewoond
- Verovering: niet meer toegestaan
- Bezetting: effectief gezag uitoefenen van een niemands land
- Verjaring: voc kreeg stuk van spanje omdat ze er lang niet op waren
- Cessie: amerika kreeg ogv verdrag alaska van rusland
C) Regering: gezagsstructuur dat effectief gezag uitoefent + stabiliteit is vereist.
Vorm mnu kan dictatuur zijn of democratie
D) Afgeleid uit bovenste: vermogen om betrekkingen aan te gaan, je moet
onafhankelijk zijn
- Aruba heeft een regering maar is onderworpen aan het koninkrijk
- Onafhankelijkheidsverklaringen zijn niet verboden: kosovo case
- Maar ook geen verbod om onafhankelijkheid tegen te gaan: spanje v.
catalonië
*Bij voortbestaan hoeven deze niet per se aanwezig te zijn alleen bij ontstaan
- Regering: presumptie van continuïteit= ondanks ontbreken van regering in
somalië tijdens oorlog gaan we er van uit dat het een staat is
, - Bij de overigen wordt het lastig: hoe noem je het een staat als er geen
grondgebied is en dus geen basis voor bevolking> icj the loss would not
necessarily entail the loss of its statehood> verschilt dus
Wat nou als we er nog steeds niet uitkomen?
A. Constitutieve theorie:
● Erkenning is een juridische voorwaarde om een staat te zijn.>> Zonder erkenning
geen staat.
● Probleem: leidt tot incoherente resultaten.
○ Voorbeeld: Schrödingers kat → entiteit kan tegelijk wel en niet een staat zijn,
afhankelijk van erkenning door andere staten.( levende en dode kat???want
sommige staten zeggen x is staat en andere zeggen nee x is geen staat)
○ Ennn Internationaal recht is geen democratie: er kan niet met meerderheid
gestemd worden om een staat te erkennen.
B. Declaratoire theorie: Leidende theorie.
● Als een entiteit voldoet aan de vier voorwaarden van Montevideo → is het een staat,
ongeacht erkenning.
● Artikel 3 Montevideo: erkenning is niet vereist.
Nollkaemper zegt : In de praktijk blijft erkenning wel relevant:
○ Bewijskracht: Hoe meer staten erkennen, hoe sterker de positie van de nieuwe
staat.
○ Praktische betekenis: Erkenning maakt het mogelijk om betrekkingen aan te
gaan, verdragen te sluiten, enz.
○ Correctief effect: bij twijfel over kenmerken kan brede erkenning bijdragen aan
acceptatie.
Zelfbeschikking:
Een volk heeft het recht om zelf te bepalen hoe het bestuurd wil worden.
- Oftewel: “Wij willen zélf beslissen over onze toekomst niet dat een ander land dat voor
ons doet.”
Soorten:
1. Externe zelfbeschikking ->Gaat over of je een onafhankelijke staat wilt zijn.
● Vooral bedoeld voor koloniën en volkeren onder bezetting.
● Ze mogen één keer kiezen:
○ Worden we onafhankelijk?
○ Of sluiten we ons aan bij een andere staat?
○ Of blijven we in een vorm van zelfbestuur?
, Voorbeeld:
De voormalige koloniën in Afrika in de jaren ’50–’60 kregen dit recht.
Ze mochten beslissen: onafhankelijk of blijven bij de kolonisator.
-> Zodra die keuze is gemaakt, is het recht uitgeput.
(Je kunt niet elk jaar opnieuw stemmen om onafhankelijk te worden.)
2. Interne zelfbeschikking -> Gaat over hoe je binnen een staat meebeslist.
● Dus niet afscheiden, maar meedoen aan politiek en bestuur in je land.
● Alle burgers hebben dit recht, via democratische rechten:
○ Stemmen
○ Verkozen worden
○ Politiek deelnemen
Voorbeeld: In Nederland kunnen Friezen meedoen aan verkiezingen, dus ze hebben
interne zelfbeschikking. Ze mogen zich Fries voelen, maar hoeven geen eigen staat te
stichten. -> Als een groep structureel wordt uitgesloten van politieke deelname, schendt
dat interne zelfbeschikking.
En als dat recht wordt geschonden?
Dan komt het zogeheten recht op afscheiding (remedial secession) in beeld.
- UITZONDERLIJK: Alleen als een volk ernstig en langdurig wordt onderdrukt,
mag het zich in het uiterste geval afscheiden van de staat.
- Voorbeeld: Bangladesh in 1971 scheidde zich af van Pakistan na zware
mensenrechtenschendingen.
Maar dit is zeldzaam: de meeste juristen vinden dat afscheiding alleen mag als
allerlaatste redmiddel.
- UNGA-res. 2625 (Friendly Relations): territoriale integriteit van staten die “het
gehele volk representeren zonder onderscheid” wordt gerespecteerd → impliciet:
pas als een staat dat niet doet, komt de remedial-gedachte in beeld
Belangrijk document Wat zegt het kort?
Art. 1 VN-Handvest Zelfbeschikking = doel van de VN (beginsel, nog geen recht).
Resolutie 1514 Kolonialisme is in strijd met mensenrechten → alle volkeren
(1960) hebben recht op onafhankelijkheid.
Resolutie 1541 Volkeren mogen kiezen: onafhankelijkheid, vrije associatie of
(1960) integratie.
, Art. 1 IVBPR & Alle volkeren hebben het recht om hun politieke, economische en
IVESCR (1966) culturele ontwikkeling zelf te bepalen.
Art 25 ivpr individueel kies- en participatierecht (stemmen, verkiesbaar zijn,
toegang tot openbare functies).
Resolutie 2625 Staten moeten dat recht respecteren; zelfbeschikking kan
(1970) verschillende vormen aannemen
Kan een bevolkingsgroep zich als nieuwe staat vestigen?
1. Effectief gezag
○ Duurzame controle over grondgebied en bevolking, zonder rivaliserende
overheid.
○ Montevideo-criteria in de praktijk (bevolking, territorium, regering, externe
betrekkingen).
2. Legaliteit
○ Geen totstandkoming door (dreiging met) verboden geweld of grootschalige
mensenrechtenschendingen.
○ Voorbeeld: Krim-casus (Russische inmenging) ondermijnt legaliteit.
3. Zelfbeschikking
○ Intern: participatie binnen de staat.
○ Extern: in koloniale/bezette/racistische context; remedial alleen bij extreme
onderdrukking.
○ Basis: art. 1 IVBPR/IVESCR (vrij je politieke status bepalen).
4. Erkenning
○ Eenzijdige handeling van andere staten (uitdrukkelijk: nota/brief; impliciet:
verdrag sluiten).
○ Niet vereist voor ontstaan van staat, maar praktisch cruciaal (toegang tot IO’s,
verdragen, legitimiteit
Week 2: rechtsbronnen + werking verdragen
Rechtsbronnen:
Artikel 38 Statuut IGH
● Art. 38 lid 1 Statuut IGH: Het Hof, dat geschillen moet beslechten overeenkomstig
internationaal recht, past toe:
a. Internationale verdragen (algemeen of bijzonder) waarin staten expliciet regels
erkennen.
b. Internationaal gewoonterecht: algemene praktijk die als recht wordt aanvaard.
c. Algemene rechtsbeginselen die door beschaafde naties worden erkend.