Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 10 van de 119 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Biologie Eindexamen | VWO Nectar | 2026/2027

Document preview thumbnail
Voorbeeld 10 van de 119 pagina's

Complete samenvatting Biologie VWO 4, 5 & 6 – Nectar Deze complete samenvatting bevat de belangrijkste biologiestof van VWO 4, 5 en 6 en is gebaseerd op de methode Nectar. Ik heb de samenvatting zelf gemaakt en gebruikt tijdens mijn examenvoorbereiding. Op het centraal examen biologie behaalde ik een 8,7.

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting biologie Eindexamen
Vwo| Nectar | VWO 4/5/6




1

,Contents
H2 Cel/transport ...................................................................................................................................... 3
H17 en H18 Eiwitsynthese & mutaties .................................................................................................... 8
H4 voortplanting.................................................................................................................................... 22
H5 Genetica ........................................................................................................................................... 28
H9 bloedsomloop .................................................................................................................................. 32
H10: Verteringsstelsel ............................................................................................................................ 42
H11: Lever, longen en nieren ................................................................................................................. 50
H12: hormoonstelsel ............................................................................................................................. 61
H13: Het Zenuwstelsel ........................................................................................................................... 70
H19: Sport &spieren .............................................................................................................................. 78
H21: afweer ........................................................................................................................................... 85
H6: Soorten en populaties ..................................................................................................................... 92
H7 Evolutie........................................................................................................................................... 101
H8 en H16 ............................................................................................................................................ 105
H20 Planten ......................................................................................................................................... 114




2

,H2 Cel/transport
• Levenskenmerken:
1. Opgebouwd uit 1 of meer cellen
2. Groeien
3. Voortplanting
4. Stofwisseling= Metabolisme
5. Waarnemen en reageren
6. Erfelijk materiaal aanwezig (DNA en/of RNA)
• Stamcellen kunnen of delen tot nieuw stamcellen of uitgroeien tot een specifieke cel met
functie d.m.v. cel differentiatie.
• Gedifferentieerde cellen onderscheiden zich met de verschillende eiwitten die ze maken.
• Een cel met klein volume en grote opp. neemt sneller stoffen op of geeft ze sneller af dan een
cel met groot volume en klein opp.
• Verschil tussen prokaryoot en eukaryoot:
Prokaryoot heeft geen celkern/mitochondriën/golgi-systeem in zijn cellen.
• Transport langs de celmembraan
Soort stof Trasport Van welke kant naar welke kant Voorbeelden+ extra’s
Ongeladen moleculen
Diffusie Hoge -> lage concentratie
zoals: CO2, O2, alcohol
Hoge -> lage concentratie Geladen moleculen
Passief




Kleine Gefaciliteerde
Mbv transporteiwitten zoals ionen of glucose,
moleculen diffusie
(eiwitkanalen)channel aminozuur.
Hoge water concentratie ->
Osmose
lage water concentratie Alleen water
(WATER)
Via waterkanalen channel
Kleine
Lage -> hoge concentratie Geladen en ongeladen
moleculen Actief trasport
channel moleculen
Actief (met ATP)




Endocytose Naar de cel in
Grote (fagocytose) Mbv receptoreiwitten Vaste stoffen door
moleculen Van de cel uit fagocytose opnemen
Exocytose
Mbv receptoreiwitten
Antiport = naar tegengestelde
Cotransport
Twee richtingen Vb : Na+ en glucose via
(Indirect
moleculen Symport= naar dezelfde richting symport
actief)
carrier


VB: Transport van glucose kan op twee manieren
Situatie Transporttype Uitleg Voorbeeld
1. Normale opname
Gefaciliteerde Via GLUT-transporteiwitten Glucose uit het bloed
in lichaamscellen
diffusie (glucose kan niet zomaar door gaat een cel in als er al
(bijv. spier- of
(passief) het membraan) voldoende insuline is.
vetcellen)
Opname van glucose uit
2. Actieve opname Symport Glucose gaat samen met Na⁺
voedsel in de
in de darmen of in (indirect actief via een symporteiwit → de
darmwandcellen.
de nieren transport) Na⁺-gradiënt wordt actief in
OF

3

, stand gehouden door de Terugresorptie van
Na⁺/K⁺-pomp (kost ATP). glucose vanuit het
nierbuisje naar het
haarvat (nierader)


Osmotische waarde= de hoeveelheid opgeloste stoffen in een vloeistof
Water beweegt van een lage osmotische waarde door stoffen naar een hoge osmotische waarde.
Water volgt de stoffen.
• Omgeving betekent hier buiten de cel oftewel de plek waarin de cel zich bevindt.
• Hypertonische omgeving: hoge osmotische waarde (veel opgeloste stof en weinig water)
Cel geeft water af en krimpt (dierlijke cel) of celmembraan laat los van de celwand:
plasmolyse (plantencel)
Na plasmolyse treedt deplasmolyse als de cel begint met het opnemen van water.
• Hypotonische omgeving: lage osmotische waarde (weinig opgeloste stof en veel water)
Cel neemt water op en barst (dierlijke cel) of de cel drukt tegen de celwand ontstaat
turgordruk (plantencel). Bij deze tugordruk heeft de plantencel zijn maximaal volume.




4

, Bacteriën
Organel Functie Dieren Planten Schimmel
(Prokaryoot)

In de Los in In de in de
DNA
celkern cytoplasma celkern celkern

-Bevat chromosomen waarin DNA zit.
Celkern -DNA-replicatie (tijdens de S-fase)
-Transcriptie van DNA naar mRNA

-Stoffentransport
Celmembraan
-Selectief permeabel
-Translatie van mRNA naar
polypeptideketen
Ribosoom
-Gebonden aan ruw ER
-Bevat geen membraan
-Eiwitten worden bewerkt:
De polypeptide krijgt zijn ruimtelijke
Ruw ER
structuur
(meestal een tertiaire structuur)
Glad ER -Vorming van transportblaasjes
- Eiwitten worden verpakt: eiwit krijgt
Golgi-systeem zijn uiteindelijke/definitieve vorm om
naar buiten de cel te gaan.
-Produceert ATP
-Het aantal neemt toe, als er meer
energie nodig is.
Mitochondrium
- heeft eigen mitochondriaal DNA dat
anders is dan gewone dna in de
celkern
Vacuole
-Gevormd door golgi-systeem
neemt
Lysosoom -Bevatten enzymen voor
de taak
vertering/afbraak
over.
- netwerk van
eiwitdraden/eiwitvezels die de cel
Cytoskelet
stevigheid en vormgeeft.

-bestaat uit twee centriolen die
Centrosoom loodrecht op elkaar staan
-speelt een rol bij celdeling
-geen organel
Celwand
-geeft vorm aan de plantencel
Alle cellen: - Voor stoffen opslag
Plantencel:
reserve
-wateropname via turgor
stoffen
Vacuole -hou ouder een plant, hoe groter de Vet
en
vacuole
water
- vacuole werkt als lysosomen
(vertering/abraak van stoffen)


5

, - voor de stevigheid van de
plantencel


-energieomzetting/fotosynthese
Chloroplast Co2+ H2O → C6H12O6 + O2
-Hebben eigen DNA
Chloroplast -geven groene kleur aan de plant
Chromoplast -geeft rode kleur
-opslag zetmeel die een reservestof is
Amyloplast
-kleurloos
-een cirkelvormig DNA(ligt in het
Plasmide
cytoplasma van bacteriën)
Flagellen -helpt bacteriën te bewegen

• Chromosoom heeft twee chromatiden. Chromosoom en chromotiden zijn opgebouwd uit
losse chromatine(draad).
• Celcylcus
G1 -> S-fase-> G2-> mitose-> twee nieuwe cellen


G1: celgroei DNA=2k 46 chro
Sfase: replicatie DNA, DNA=4k 46 chro
G2: celgroei DNA=4k 46 chro
Mitose: celdeling DNA=4k in begin -> DNA=2k in het einde 92 chro->46 chro
1. Profase: er ontstaat een spoelfiguur door het vormen van trekdraden. Dna spiraliseert nog
strakker. DNA=4k 46 chro
2. Metafase: alle gespiraliseerde chromosomen liggen in het equatorvlak. DNA=4k 46 chro
3. Anafase: De trekdraden trekken chromatiden uit elkaar naar de verschillende polen van de
cel. DNA=4k 92 chro
4. Telafase: chromosomen despiraliseren tot hun losse vorm: chromatine. Elke set DNA-
moleculen bij de polen krijgen een kernmembraan. DNA=4k 92 chro
Vorming nieuwe kernen->vorming nieuw cellen met DNA=2k 46 chro →cytokinese

• Een fout waargenomen in controlepunten leidt tot apoptose (cel doodt zichzelf)
Geen apoptose-> kanker
DNA Chromosoom Chromatide per
chromosoom
G1 2k 46 1
Sfase 4k 46 2
G2 4k 46 2
Profase 4k 46 2
Metafase 4k 46 2
Anafase 4k 92 1
Telafase 4k->2k 92->46 1
G1 2k 46 1




6

, Na DNA-replicatie wordt het aantal chromatiden per chromosoom ook verdubbeld. ( in xit vb
kun je elk chromatide denken als 2k DNA.
• Controlepunten
Einde G1: zit er fout in dna code voordat de replicatie begint?
Einde G2: heeft cel genoeg cytoplasma voor celdeling?
Tijdens metafase: Zijn er genoeg chromosomen in het equatorvlak?

• Geslachtscellen doen zowel meiose voor voortplanting als mitose voor celdeling.




7

,H17 en H18 Eiwitsynthese & mutaties
• DNA is opgerold rond de histonen(histon is
een eiwit).
8 histonen met DNA maken een nucleosoom.
Nucleosoom vormt een chromatine keten.
Chromatine vormt chromosoom.
chromosoom heeft twee delen chromatide.




• DNA bestaat uit twee strengen: de coderende streng en de matrijsstreng.
De bouwstenen van DNA zijn nucleotiden. Een nucleotide bestaat uit een base, een
deoxyribose en een fosforgroep.
5’ einde van de coderende streng ligt tegenover de 3’ einde van de matrijsstreng.


Kenmerk DNA RNA
Volledige naam Deoxyribonucleïnezuur Ribonucleïnezuur
Suiker Desoxyribose Ribose (heeft een extra -OH groep)
Streng(en) Dubbele helix (twee strengen) Enkelstrengs
Basen A, T, C, G A, U, C, G
Tegenhanger van A T (thymine) U (uracil)

Zorgt voor eiwitsynthese,
Functie Bevat alle erfelijke informatie
boodschapperfunctie
In de celkern, chloroplasten en In de celkern, chloroplasten en
Locatie in cel
mitochondriën. mitochondriën
Stabiliteit Heel stabiel Minder stabiel

RNA heeft bovendien ook drie soorten:
1. mRNA (Messenger RNA): Dit is de meest bekende vorm van RNA. Het fungeert als een
boodschapper tussen DNA en de ribosomen, waar het de genetische informatie van het DNA
overbrengt voor de synthese van eiwitten.
2. tRNA (Transfer RNA): tRNA is verantwoordelijk voor het overbrengen van aminozuren naar de
ribosomen tijdens de eiwitsynthese. Elk tRNA-molecuul is specifiek voor een bepaald
aminozuur.
3. rRNA (Ribosomal RNA): Het rRNA zorgt tijdens de translatie voor de vorming van
peptidebindingen tussen aminozuren. Het kernlichaampje maakt ribosomaal RNA (rRNA) aan.

DNA komt ook enkelstengs voor
➔ Tijdens transcriptie
RNA-polymerase bindt aan een stukje DNA.
Slechts één van de twee DNA-strengen wordt afgelezen (de matrijsstreng).
Op dat moment is dat stukje DNA tijdelijk enkelstrengs.
➔ In sommige virussen
➔ In PCR-methode




8

, • Genoom= ALLE DNA met zowel coderende DNA (2%) als niet coderende DNA (98%)
→ Het coderende DNA bevat exons die direct coderen voor eiwitten.
→Het niet-coderend DNA, en dat bestaat uit:
Introns (in genen zelf)
Promotors en enhancers (reguleren genexpressie)
Repetitief DNA (zoals microsatellieten)
Pseudogenen (kapotte kopieën van genen)
Regio’s zonder bekende functie (vroeger vaak “junk DNA” genoemd)

• Gen= een stukje coderend DNA dat de code bevat voor het maken van een eiwit → eiwitten
bepalen je eigenschappen.
Alle cellen bevatten hetzelfde DNA maar het gen is actief afhankelijk van de soort cel (cel in je
huid en cel in je alvleesklier) en de omgeving (zomer, winter), waardoor ze verschillende
eiwitten produceren. Dus er ontstaan daardoor verschillende cellen.
**Exons en introns zitten op de matrijsstreng op DNA. Mutatie in introns komt niet tot expressie.
Mutatie in exons of spliceplaatsen (grens tussen exon en intron) zorgt wel voor afwijkingen in de
genexpressie.
Doel: DNA→ mRNA
Waar? In de celkern
Waarom? Alleen mRNA kan uit de celkern, en DNA niet
1- Pre-mRNA maken
RNA-polymerase wordt gekoppeld aan de TATA-box aan het begin van promotor in de
matrijsstreng. (Promotor regelt de gen activatie)
RNA-polymerase schuift dan in 3’->5’ in de matrijsstreng.
Pre mRNA ontstaat in 5’->3’
2- Pre-mRNA bewerken tot mRNA
Transcriptie




Intron= niet coderende deel
Exon= coderende deel (voor
eiwitsynthese)




Er vindt splicing plaats→ het verwijderen van introns en aaneenschakelen van exons.
Er vindt polyadeylering plaats→ Pre-mRNA krijgt een poly-A-staart aan 3’einde.
Er vindt capping plaats→ Pre-mRNA krijgt een guanine nucleotide aan 5’einde.
** hoe langer poly-A-staart, hoe langer de afbraak van mRNA duurt door enzymen en hoe
groter de levensduur.
Elke drie nucleotiden worden een triplet of codon genoemd.




9

, Doel: mRNA → polypeptideketen= aminozuurketen
Waar? In de ribosomen in het grondplasma, chloroplasten, ER en mitochondriën
Waarom? Deze polypeptideketen bepaalt de aminozuren volgorde
1- De kleine ribosoomsubeenheid bindt aan het 5’-uiteinde van het mRNA.
2- Wanneer het startcodon (AUG) wordt bereikt, bindt het eerste tRNA met het
bijpassende anticodon. Dit tRNA draagt het aminozuur methionine.
3- De grote ribosoomsubeenheid sluit zich aan, zodat het volledige ribosoom gevormd
Translatie




is.
4- Het tweede tRNA bindt zich aan het codon naast het startcodon. Het ribosoom
koppelt het eerste aminozuur (methionine) los van het eerste tRNA en vormt een
peptidebinding met het aminozuur op het tweede tRNA.
5- Het proces herhaalt zich totdat de stopcodon bereikt is.
6- Bij de stopcodon verbreekt een ontkoppelingseiwit het complex van mRNA en
ribosoom.
**Voor elke aminozuur is er minimaal een tRNA. (kan ook 2, 4 en max 6 zijn)
** Meerdere ribosomen kunnen aan het mRNA binden waardoor de polypeptideketen sneller
geproduceerd kan worden.

Doel: polypeptideketen → eiwit met ruimtelijke structuur
Waar? In de ruw en glad ER
Waarom? Eiwit moet werkzaam worden (eiwit moet dus ruimtelijke str. Hebben) , zodat het
naar de juiste plek gebracht wordt.
1- Het polypeptideketen krijgt een adreslabel: een signaal voor de verwerking aan het
ruw ER.
Bewerking




2- SHM bindt zich aan deze label-> translatie stopt tijdelijk.
3- SHM bindt zich aan SHM-receptor. GTP bindt hier ook.
4- GTP wordt omgezet in GDP +Pi → eiwitpoort gaat open, SHM komt los van zijn
receptor, adreslabel wort losgeknipt.
5- De translatie gaat verder tot een stopcodon.
6- Het voltooide polypeptideketen komt los van het ribosoom.
**Ruw ER zorgt voor ruimtelijke structuur van het polypeptideketen en andere toevoegingen
zoals koolhydraten.
**Glad ER vormt transportblaasjes die de eiwitten naar het Golgi-apparaat brengen. (Glad ER
doet niet mee aan de translatie, omdat het geen ribosomen bevat.
Doel: eiwit met ruimtelijke structuur → definitieve vorm van het eiwit
Sortering & Verpakking




Waar? In het Golgi
Waarom? Eiwit moet de definitieve vorm hebben voor het transport naar andere delen van
de cel.
• Toevoegen of aanpassen van suikergroepen (modificatie).
• Verdere bewerking, zoals het fijn afstellen van de structuur.
• Golgi sorteert en verpakt voor transport naar de juiste bestemming in of buiten de
cel, afhankelijk van het adreslabel.
Elk eiwit gaat via een transportblaasje naar de juiste bestemmingen:
Transport




• Het celmembraan: eiwitpoort of receptor
• Lysosomen: eiwit wordt hier een verteringsenzym
• Buiten de cel (secretie) via exocytose



Toetsvraag: Voor de meeste aminozuren zijn er meerdere codons. VB: valine door UAA en UAG. Hoe?
Er zijn in totaal 4x4x4= 64 codons beschikbaar.
Er zijn 20 aminozuren.

10

Documentinformatie

School jaar
6
Geüpload op
13 augustus 2026
Aantal pagina's
119
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€11,16

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
0
Volgers
0
Items
2
Laatst verkocht
-


Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.


Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen