Woordjes:
Quizlet
EngelEngels
Unit
Past s
Vorm: Werkwoord + -ed. Voorbeeld: we decided, he believed, we walked, I travelled, she
permitted.
Je gebruikt de simple past als iets in het verleden is gebeurd / gedaan. Vaak zeg je ook
wanneer dat was.
Let op!
Gebruik geen have / have + voltooid deelwoord.
o In bevestigende zinnen (‘gewone zinnen’)
I saw that movie last week.
Nick fell of his bike yesterday.
o Used to / would (Als een handeling in het verleden regelmatig werd gedaan, maar nu
niet meer.)
I used to / would read a lot, but nowadays i usually watch TV.
Sid used to / would smoke a lot but he quit last year.
o Als het om een situatie / toestand in het verleden gaat, mag alleen used to worden
gebruikt, niet would
This used to be a school, but now it’s a gym.
My mum used to have sports car.
o In ontkennende zinnen gebruik je didn’t use to.
Past
Vorm: Was / Were + werkwoord + ing. Voorbeeld: I was watching. We
were rehearsing.
o Iets was op een bepaald moment in het verleden aan de gang (en van korte
duur).
At 11 o’clock I was still doing my homework.
Rick was sleeping when the teacher came in.
o Iets wat aan de gang (past continuous) en werd door iets anders
onderbroken (simple past).
Mark had an accident when he was cycling home.
Als twee
Werehandelingen na tennis
you playing elkaar when
plaatsvinden,
it startedgebruik
to rain?je twee keer de
simple past:
When I got home, I had a cup of tea.
En:
Als twee handelingen tegelijkertijd plaatsvinden, gebruik je twee keer de
past continuous:
While my sister was watching TV, I was listening to music
Quizlet
EngelEngels
Unit
Past s
Vorm: Werkwoord + -ed. Voorbeeld: we decided, he believed, we walked, I travelled, she
permitted.
Je gebruikt de simple past als iets in het verleden is gebeurd / gedaan. Vaak zeg je ook
wanneer dat was.
Let op!
Gebruik geen have / have + voltooid deelwoord.
o In bevestigende zinnen (‘gewone zinnen’)
I saw that movie last week.
Nick fell of his bike yesterday.
o Used to / would (Als een handeling in het verleden regelmatig werd gedaan, maar nu
niet meer.)
I used to / would read a lot, but nowadays i usually watch TV.
Sid used to / would smoke a lot but he quit last year.
o Als het om een situatie / toestand in het verleden gaat, mag alleen used to worden
gebruikt, niet would
This used to be a school, but now it’s a gym.
My mum used to have sports car.
o In ontkennende zinnen gebruik je didn’t use to.
Past
Vorm: Was / Were + werkwoord + ing. Voorbeeld: I was watching. We
were rehearsing.
o Iets was op een bepaald moment in het verleden aan de gang (en van korte
duur).
At 11 o’clock I was still doing my homework.
Rick was sleeping when the teacher came in.
o Iets wat aan de gang (past continuous) en werd door iets anders
onderbroken (simple past).
Mark had an accident when he was cycling home.
Als twee
Werehandelingen na tennis
you playing elkaar when
plaatsvinden,
it startedgebruik
to rain?je twee keer de
simple past:
When I got home, I had a cup of tea.
En:
Als twee handelingen tegelijkertijd plaatsvinden, gebruik je twee keer de
past continuous:
While my sister was watching TV, I was listening to music