ANGST TE BEGRIJPEN
KLINISCHE ANGST EN ANXIETY BEGRIJPEN DOOR EEN LENS VAN
MENSELIJKE ANGSTCONDITIONERING
SAMENVATTING
Introductie
Angst (nabije bedreiging) en anxiety (verre bedreiging) zijn fylogenetisch adaptieve emoties en
worden gekenmerkt door activiteit in gecorreleerde responsesystemen, waaronder:
Subjectieve fenomenologische ervaring (gevoel van onheil of bezorgdheid).
Openlijk gedrag (vergroten van afstand tot bedreiging of het verminderen van dreigende
impact via vlucht/vermijding).
Perifere en centrale zenuwactivatie (fysiologische opwinding en spierspanning).
Deze reacties zorgen ervoor dat iemand gepast kan reageren op hoe dicht bij de dreiging lijkt.
Bij mentale stoornissen is angst vaak een belangrijk kenmerk. Angst is hier aanhoudend en vaak
buiten proportie, waardoor het leidt tot chronische bezorgdheid, vermijdingsgedrag en interferentie
met dagelijks functioneren.
Angstconditionering volgens Pavlov
Een neutrale stimulus (toon = NS) wordt gecombineerd met een negatieve stimulus (elektriciteit =
US). De negatieve stimulus leidt tot een aangeboren angstreactie, bijvoorbeeld vermijding (= UR). Na
herhalingen leidt de neutrale stimulus ook tot de angstreactie (CR), zelfs in afwezigheid van de
negatieve stimulus. Na conditionering leidt de neutrale stimulus (CS) tot een angstreactie. Bij mensen
wordt de geconditioneerde stimulus (toon = bedreiging) vaak afgewisseld met een andere
geconditioneerde stimulus (veilige cue) zonder ongeconditioneerde stimulus.
Sterkten van angstconditionering paradigma:
Kan gebruikt worden om de mechanismen van gedragsplasticiteit te onderzoeken die angstige
reacties bevorderen en tegengaan.
, Bouwt voort op empirische, methodologische en theoretische traditie sterke conceptuele
basis.
Kan toegepast worden op gelijke manieren bij verschillende soorten (mensen, knaagdieren).
Kan gebruikt worden om gedragsmatige, fysiologische en experimentele dimensies van angst
te meten (bevriezen, schrikken en verbale beoordelingen respectievelijk).
Angstconditionering en klinische anxiety
Geassocieerd leren zorgt ervoor dat je bedreigingssignalen in je omgeving kan identificeren en
verdedigingsmiddelen kan oproepen voor overleving, denk aan bang worden voor een kruispunt (NS)
waar een auto-ongeluk (US) heeft plaatsgevonden. Veel individuen met klinische angst zijn bang voor
onschuldige signalen en situaties (CS) omdat deze geassocieerd worden met bedreigende uitkomsten
(US), denk aan gepest zijn en daardoor sociale angststoornis ontwikkelen. Echter zijn er meerdere
paden die leiden tot klinische angst, zoals plaatsvervangend leren (iemand gepest zien worden) en
verbaal leren (horen dat iemand gepest is).
Het model van Pavlov heeft sterke constructvaliditeit, omdat het aansluit bij hoe angst in
werkelijkheid kan ontstaan dus het weerspiegelt de theorie achter de stoornis. Daarnaast heeft het
model externe validiteit, dus de resultaten van het model zijn toepasbaar op echte angststoornissen.
Verder lijkt het opgewekte gedrag (verhoogde spanning) op symptomen van angststoornissen, wat
face validiteit wordt genoemd. Een beperking is dat het model vaak eenvoudige, onpersoonlijke
stimuli gebruikt, terwijl mensen in het echt eerder angst ontwikkelen voor sociale of evolutionair
bedreigende stimuli. Bovendien is er predictieve validiteit: als behandelingen die angststoornissen
verminderen ook effectief zijn in het model, versterkt dit het nut ervan, denk aan
blootstellingstherapie.
Individuele verschillen in angstconditionering
Angstverwerving
Sommige studies vonden geen verband tussen trekanxiety, terwijl andere studies dit wel vonden.
Mensen met hoge trekanxiety leren sneller angst, reageren sterker op bedreigende signalen of hebben
minder goed door welke signalen echt gevaarlijk zijn. Ook laten ze minder differentiële angstreacties
zien tussen geconditioneerde bedreigende en veilige cues tijdens angstleren. Bovendien waren ze
minder bewust van de contingentie tijdens angstleren, dat wil zeggen de mate waarin iemand
doorheeft dat er een verband is tussen de CS en US. Al met al is het bewijs over de rol van trekanxiety
bij angstleren tegenstrijdig.
Uitdoving, generalisatie en vermijding
Meta-analyses hebben gevonden dat trekanxiety, intolerantie voor onzekerheid en neuroticisme,
gerelateerd zijn aan langzame uitdoving en overgeneralisatie in niet-klinische steekproeven (effect
hangt af van vragenlijst en type angst). Meerdere studies vonden verhoogde vermijding in individuen
met hoge trekanxiety, intolerantie voor onzekerheid of neuroticisme. Deze patronen zijn mogelijk ook
aanwezig in individuen met sub-klinische angstniveaus (niet alleen angstpatiënten dus). Toekomstig
onderzoek is nodig, bijvoorbeeld of individuele verschillen in deze kenmerken de ontwikkeling van
angststoornissen in risico-individuen voorspellen.
Diagnostische validiteit
Een meta-analyse vond dat mensen met een angststoornis even snel en in even sterke mate angst
aanleren voor een neutrale stimulus in combinatie met ongeconditioneerde bedreigende stimulus als
controlegroepen. Verder laten ze sterkere geconditioneerde angstreacties op de bedreigende stimulus
zien dan op een veilige stimulus. Dit wijst op gelijkenis in angstleren tussen mensen met en zonder
klinische angststoornis. Dit is in tegenspraak met de diagnostische validiteit van Pavlovs model.