MENTALE INBEELDING EN COGNITIEVE KAART GEBRUIKEN
KERNBEGRIPPEN
Verbeelding debat (imagery debate): een debat over de vraag of onze mentale inbeelding lijkt op
perceptie (analogische code gebruiken) of lijkt op taal (propositionele code gebruiken).
Analogische code: representatie die erg lijkt op het fysieke object.
Propositionele code: een abstracte, taalachtige representatie. Opslag is niet visueel of ruimtelijk. Het
lijkt fysiek niet op de originele stimulus.
Prosopagnosie: gezichtsblindheid, dus je herkent geen gezichten meer.
Mentale-rotatieprobleem: het is moeilijk om te onderzoeken of mensen een mentale figuur op
dezelfde manier ronddraaien als een fysiek object. Dit komt omdat introspectieve reports onjuist
kunnen zijn.
Verwachting van onderzoeker (experimenter expectancy): de biases en verwachtingen beïnvloeden
de uitkomst van een experiment. Deze verwachtingen worden overgebracht op de deelnemer wat zou
kunnen zorgen voor ander soort zoeksnelheden.
SAMENVATTING
Introductie
Het is lastig om mentale inbeelding te onderzoeken, omdat het niet zichtbaar en ontoegankelijk is.
Technieken om visuele perceptie te onderzoeken, worden nu ook gebruikt voor mentale inbeelding.
Debat
Echter heerst er een debat over de vraag of onze mentale inbeelding lijkt op perceptie of taal.
Analogische code benadering
o Mentale inbeelding lijkt op perceptie
o Details kunnen missen bij de mentale inbeelding
o Voorbeeld: de fysieke kenmerken van een driehoek worden opgeslagen in je brein,
waarbij je mentale inbeelding gelijke relaties behoudt als de originele driehoek
Propositionele code benadering
o Mentale inbeelding lijkt op taal, niet perceptie
o Voorbeeld: je brein slaat een taalachtige beschrijving op van een driehoek en met deze
verbale beschrijving wordt een visueel plaatje gemaakt
Beide aanpakken zijn gedeeltelijk juist, maar onderzoek ondersteunt vooral de analogische code
benadering (bijvoorbeeld dat de primaire visuele cortex geactiveerd is wanneer visuele inbeelding
vereist is).
, Visuele inbeelding en visuele perceptie (in de diepte)
Veel onderzoek is gedaan naar het mentale-rotatieprobleem: draaien mensen mentale figuren zoals
fysieke objecten? Shepard en Metzler's originele studie liet deelnemers beoordelen of twee figuren
gelijk waren, waarbij alleen de reactietijd werd gemeten, dus geen accuraatheid.
Bevindingen: hoe groter de draaihoek, hoe langer de reactietijd. En driedimensionale draaien duurden
bijna even lang als tweedimensionale. Dit ondersteunt de analogische code-benadering: een grotere
draai kost meer tijd. Bij een taalachtige beschrijving van de figuur (propositionele code benadering)
zou de reactietijd hetzelfde blijven.
A = tweedimensionale draai
B = driedimensionale draai
C = geen match
Bevindingen van andere onderzoeken naar mentale rotatie:
Mensen beslissen sneller bij een kleine draai van een mentale figuur.
Rechtshandigen herkennen een rechterhand sneller dan een linker-, maar dit verschil geldt niet
voor linkshandigen (Takeda, 2010).
Leeftijd heeft geen consistente invloed op inbeeldingsvaardigheden buiten mentale rotatie.
Doven zijn beter in mentale rotatie door hun ervaring met gebarentaal.
Bevindingen van neurowetenschappelijk onderzoek naar mentale rotatie:
Conditie 1: de primaire motorische cortex wordt alleen geactiveerd tijdens de mentale-
rotatietaak, wanneer deelnemers daarvoor het object fysiek hebben aangeraakt. Dit is in
tegenstelling tot de deelnemers die de figuur alleen hebben zien draaien door een elektrische
motor.
Conditie 2: deelnemers moesten zich voorstellen dat ze zichzelf draaiden om de figuur vanuit
een andere hoek te zien, wat leidde tot meer activatie in de linker temporale kwab en
motorische cortex. Instructies beïnvloeden dus sterk de hersenreactie tijdens mentale
inbeelding.
Visuele inbeelding en afstand
In een onderzoek van Kosslyn naar visuele inbeelding en afstand, kwam naar voren dat mensen de
afstand tussen ver uit elkaar liggende punten langzamer scanden dan punten die dichter bij elkaar
lagen op een mentale kaart (lineraire relatie). In een vervolgonderzoek van Jolicoeur en Kosslyn
moesten twee assistenten hetzelfde onderzoek uitvoeren, maar ze kregen verkeerde instructires. Er zou
een zogenaamde U-vormige relatie naar voren moeten komen. Deze vorm van ‘experimenter
expectancy’ had geen invloed op de uiteindelijke uitkomst.