Belangrijkste begrippen diagnostiek en assessment
COLLEGE 2
10 basisassumpties:
1. Wat je wilt meten bestaat en kan gemeten worden op verschillende manieren, zo eerlijk mogelijk
2. Rekening houden dat er kans is dat de uitslag niet klopt, er zijn verschillende manieren en
meetinstrumenten hebben zwakke en sterke punten.
3. Assessment proces helpt bij inzicht, divers, generaliseren, beslissen en mensen hebben er baat bij.
Assessment process: test measurement assessment ( besluitvorming)
Type testen
- Maximum performance test (kennis meten)
X achievement vs aptitude
X speed vs power
X objectief vs subjectief
- Typical response test (gedrag meten)
X objectief vs subjectief
- Zelfrapportagelijsten
X omnibus (breed, symptomen etc.) vs. domein specifiek (diepere diagnostische doeleinden)
- CBCL: child behaviour checklist (self-report and observation)
X child info and child behaviour
X CBCL: door ouders
X YSR: door kind zelf
X TRF: door leerkrachten
- Directe observatie
X kwalitatief (beschrijvend)
X kwantitatief (turven)
Time sampling
. geheel interval
. gedeeltelijk interval
. 1 moment
Event sampling
- Interview
COLLEGE 3
Meetniveaus: nominaal, ordinaal, interval, ratio
- 1ste vlak = 68.2 %
- 2e vlak = 95.4 %
- 3e vlak = 99.7 %
Interpretatie
- Norm-referenced interpretatie: vergelijken met normgroep
, - Criterion-referenced interpretatie: vergelijken absoluut criterium
Standaardscores om te vergelijken
z-scores: m=0, sd=1
t-scores: m=50, sd = 10
iq scores: m=100, sd=15
genormaliseerde standaardscores
van scheef normaal
didactische leefdtijdsequivalenten (DLE)
- Aantal maanden onderwijs berekenen (10 maanden), als die hier naast zit loopt hij achter, maar..
bezwaar.
VIX --------------------------------------------------
Criterion-referenced interpreations
- Absoluut: populatie onafhankelijk
COLLEGE 4
Een nieuw instrument
1. Conceptualiseren
- Contstruct: definieren (conceptueel en operationeel) en de noodzaak
Zelfrapportage 3 schalen voor foute antwoorden:
- F-schaal: fake bad
- L-schaal: fake good
- Inconsistenntie-schaal (tegenstrijdige antwoorden) V schaal (validiteit, kijken of iemand wel goed
leest)
2. Structuur en opzet test
- Optimaal en ontwikkeling en handleiding
- Testmatrijs: in kaart brengen of je alles hebt
- Itemformat: selected response (objectief) of constructed response (subjectief)
3. Psychometrische studies
- Betrouwbaarheid en validiteit
- Normeren
X kwaliteit
X actualiteit: updaten
X verandering door voorkennis
X representativiteit: wie mag meedoen?
IRT (item response theory)
Kwaliteit van individuele items
- Moeilijkheidsgraad b (hoe hoger hoe onwaarschijnlijk dat hij het goed heeft)
- Discriminatieparameter a (hoe hoger hoe sterker verband tussen vaardigheid en kans op correct en
hoe meer het ondersceid tussen personen is)
- Item characteristic curve (ICC) aflezen a en b
- Anker items: verschillende toetsen naast elkaar leggen om te kijken welk niveau.
Vaardigheidsscore = tov zichzelf
vaardigheidsniveau = tov anderen
COLLEGE 2
10 basisassumpties:
1. Wat je wilt meten bestaat en kan gemeten worden op verschillende manieren, zo eerlijk mogelijk
2. Rekening houden dat er kans is dat de uitslag niet klopt, er zijn verschillende manieren en
meetinstrumenten hebben zwakke en sterke punten.
3. Assessment proces helpt bij inzicht, divers, generaliseren, beslissen en mensen hebben er baat bij.
Assessment process: test measurement assessment ( besluitvorming)
Type testen
- Maximum performance test (kennis meten)
X achievement vs aptitude
X speed vs power
X objectief vs subjectief
- Typical response test (gedrag meten)
X objectief vs subjectief
- Zelfrapportagelijsten
X omnibus (breed, symptomen etc.) vs. domein specifiek (diepere diagnostische doeleinden)
- CBCL: child behaviour checklist (self-report and observation)
X child info and child behaviour
X CBCL: door ouders
X YSR: door kind zelf
X TRF: door leerkrachten
- Directe observatie
X kwalitatief (beschrijvend)
X kwantitatief (turven)
Time sampling
. geheel interval
. gedeeltelijk interval
. 1 moment
Event sampling
- Interview
COLLEGE 3
Meetniveaus: nominaal, ordinaal, interval, ratio
- 1ste vlak = 68.2 %
- 2e vlak = 95.4 %
- 3e vlak = 99.7 %
Interpretatie
- Norm-referenced interpretatie: vergelijken met normgroep
, - Criterion-referenced interpretatie: vergelijken absoluut criterium
Standaardscores om te vergelijken
z-scores: m=0, sd=1
t-scores: m=50, sd = 10
iq scores: m=100, sd=15
genormaliseerde standaardscores
van scheef normaal
didactische leefdtijdsequivalenten (DLE)
- Aantal maanden onderwijs berekenen (10 maanden), als die hier naast zit loopt hij achter, maar..
bezwaar.
VIX --------------------------------------------------
Criterion-referenced interpreations
- Absoluut: populatie onafhankelijk
COLLEGE 4
Een nieuw instrument
1. Conceptualiseren
- Contstruct: definieren (conceptueel en operationeel) en de noodzaak
Zelfrapportage 3 schalen voor foute antwoorden:
- F-schaal: fake bad
- L-schaal: fake good
- Inconsistenntie-schaal (tegenstrijdige antwoorden) V schaal (validiteit, kijken of iemand wel goed
leest)
2. Structuur en opzet test
- Optimaal en ontwikkeling en handleiding
- Testmatrijs: in kaart brengen of je alles hebt
- Itemformat: selected response (objectief) of constructed response (subjectief)
3. Psychometrische studies
- Betrouwbaarheid en validiteit
- Normeren
X kwaliteit
X actualiteit: updaten
X verandering door voorkennis
X representativiteit: wie mag meedoen?
IRT (item response theory)
Kwaliteit van individuele items
- Moeilijkheidsgraad b (hoe hoger hoe onwaarschijnlijk dat hij het goed heeft)
- Discriminatieparameter a (hoe hoger hoe sterker verband tussen vaardigheid en kans op correct en
hoe meer het ondersceid tussen personen is)
- Item characteristic curve (ICC) aflezen a en b
- Anker items: verschillende toetsen naast elkaar leggen om te kijken welk niveau.
Vaardigheidsscore = tov zichzelf
vaardigheidsniveau = tov anderen