Vraag 1: Welke van de volgende bronnen wordt in de tekst NIET expliciet genoemd
als een wijze waarop verbintenissen ontstaan?
A) De wet
B) Een overeenkomst
C) Een onrechtmatige daad
D) De goede trouw
Vraag 2: Wat is het juridische gevolg van het karakter van het vermogen als
'rechtsuniversaliteit'?
A) Het vermogen kan enkel uit materiële zaken bestaan.
B) Rechten en plichten worden als één ondeelbaar geheel beschouwd.
C) Schuldeisers kunnen enkel beslag leggen op roerende goederen.
D) De fysieke persoon van de schuldenaar wordt onderdeel van het onderpand.
Vraag 3: Wat houdt het begrip 'zakelijke verbondenheid' in als afwijking op de
subjectieve vermogensleer?
A) De schuldenaar is met zijn volledige vermogen aansprakelijk voor alle schulden.
B) De schuldeiser heeft enkel verhaal op één of meer specifieke goederen van de
schuldenaar.
C) Het privévormogen van de schuldenaar wordt volledig afgeschermd van
professionele schuldeisers.
D) De schuldenaar is enkel verbonden met goederen die hij in de toekomst zal
verwerven.
Vraag 4: Wat is de status van de 'fiduciaire eigendom' binnen het algemeen
Belgisch recht volgens de brontekst?
A) Het wordt in principe niet erkend, behalve voor specifieke financiële activa.
B) Het is de standaardmethode voor alle zakelijke zekerheden.
C) Het is volledig verboden onder alle omstandigheden.
D) Het vervangt het klassieke pandrecht bij ondernemingen.
Vraag 5: Op basis van welk artikel uit het Gerechtelijk Wetboek genieten
overheden uitwinningsimmuniteit?
A) Artikel 3.36
B) Artikel I.1, 1° WER
C) Artikel 1412bis
D) Artikel 5.168
Vraag 6: Welk juridisch effect heeft een beslag op de bevoegdheden van de
schuldenaar?
A) De schuldenaar verliest zijn eigendomstitel onmiddellijk aan de staat.
B) De schuldenaar verliest de juridische bevoegdheid om over de goederen te
beschikken.
C) De schuldenaar wordt ontheven van de plicht om de goederen te onderhouden.
D) Alle schulden van de schuldenaar worden door het beslag onmiddellijk gedelgd.
2
,Vraag 7: Wat is het specifieke doel van een 'sekwester' tijdens een juridisch
geschil?
A) Het definitief verkopen van goederen aan de hoogstbiedende.
B) Het goed in bewaring geven aan een neutrale derde om de status quo te bewaren.
C) Het overdragen van het goed aan de fiscus bij wijze van boete.
D) Het vernietigen van goederen die geen economische waarde meer hebben.
Vraag 8: Wat is de keuzemogelijkheid voor schuldeisers bij 'veinzing' (simulatie)?
A) Zij kunnen kiezen tussen de openlijke handeling of de werkelijke geheime bedoeling.
B) Zij moeten de geheime overeenkomst altijd negeren.
C) Zij zijn verplicht om beide overeenkomsten nietig te laten verklaren.
D) Zij hebben geen enkele rechtsvordering en moeten de situatie ondergaan.
Vraag 9: Wat is de ratio achter het instellen van een 'verdachte periode' voor een
faillissement?
A) Om de schuldenaar de kans te geven nieuwe leningen aan te gaan.
B) Om te voorkomen dat activa in het zicht van het faillissement aan schuldeisers
worden onttrokken.
C) Om de curator extra tijd te geven voor de inventarisatie.
D) Om de termijn voor de fresh start van de natuurlijke persoon te verkorten.
Vraag 10: Wat is de functie van het 'Centraal Aanspreekpunt' (CAP) met betrekking
tot het vermogen?
A) Het beperkt direct de beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar.
B) Het biedt transparantie over de samenstelling en toestand van het vermogen.
C) Het fungeert als register voor alle eigendomsvoorbehouden.
D) Het is de plek waar alle beslagrechterlijke uitspraken worden verzameld.
Vraag 11: Wanneer is er sprake van een 'doorbraak van de rechtspersoonlijkheid'?
A) Wanneer de juridische scheiding tussen het vermogen van de rechtspersoon en de
achterliggende personen wordt genegeerd.
B) Wanneer een vennootschap een nieuwe dochteronderneming opricht.
C) Wanneer de aandelen van een vennootschap worden verkocht aan een derde.
D) Wanneer een rechtspersoon besluit om haar maatschappelijke zetel te verplaatsen.
Vraag 12: Welk principe binnen de samenloop waarborgt dat schuldeisers van
gelijke rang gelijktijdig een uitkering ontvangen?
A) Het specialiteitsbeginsel
B) Pari passu
C) Numerus clausus
D) Zakelijke subrogatie
Vraag 13: Welke rechtbank is specifiek bevoegd voor de collectieve
schuldenregeling (CSR) van particulieren?
A) De Ondernemingsrechtbank
B) Het Hof van Beroep
C) De Rechtbank van Eerste Aanleg
3
, D) De Arbeidsrechtbank
Vraag 14: Wat is het gevolg voor een voorrecht wanneer de onderliggende
schuldvordering door verjaring tenietgaat?
A) Het voorrecht blijft nog tien jaar geldig als zelfstandige zekerheid.
B) Het voorrecht gaat over op een andere schuldvordering van de schuldeiser.
C) Het voorrecht vervalt automatisch door het accessoire karakter.
D) Het voorrecht wordt omgezet in een chirografaire vordering.
Vraag 15: Wanneer vindt er een 'pondspondsgewijze verdeling' plaats?
A) Wanneer bevoorrechte schuldeisers in dezelfde rang staan en het onderpand
onvoldoende is.
B) Wanneer een hypotheekhouder voorrang krijgt op een algemeen voorrecht.
C) Wanneer de staat gebruikmaakt van haar uitwinningsimmuniteit.
D) Wanneer een schuldeiser zijn recht van terugvordering binnen acht dagen uitoefent.
Vraag 16: Tot welke periode zijn de bevoorrechte kosten van de 'laatste ziekte'
beperkt?
A) Eén maand voorafgaand aan het overlijden.
B) Het jaar voorafgaand aan het overlijden of de samenloop.
C) Drie jaar voorafgaand aan het faillissement.
D) De volledige duur van de ziekte, ongeacht de termijn.
Vraag 17: Wat is het maximale plafond voor de bevoorrechte vordering van de
Dienst Alimentatievorderingen (DAVO)?
A) 7.500 euro
B) 15.000 euro
C) 25.000 euro
D) Er geldt geen plafond voor deze vordering.
Vraag 18: Tot welk bedrag is achterstallig loon van werknemers bevoorrecht op de
roerende goederen?
A) 7.500 euro
B) 5.000 euro
C) 15.000 euro
D) Het loon is onbeperkt bevoorrecht.
Vraag 19: Op welke vordering heeft een onderaannemer in de tweede rang een
bijzonder voorrecht?
A) Op de vordering van de bouwheer op de architect.
B) Op de vordering die de eerste onderaannemer heeft op de hoofdaannemer.
C) Direct op het volledige vermogen van de bouwheer.
D) Op de vordering van de fiscus op de hoofdaannemer.
Vraag 20: Wat is de maximale geldigheidsduur van een registratie in het online
pandregister?
A) 5 jaar
4