Vraag 1: Wat is het hoofddoel van de cross-culturele benadering binnen de
antropologie?
A) Het beschrijven van de geschiedenis van één specifieke beschaving.
B) Het reconstrueren van uitgestorven talen uit prehistorische tijden.
C) Het uitsluitend bestuderen van biologische variatie zonder rekening te houden met
cultuur.
D) Het identificeren van universele gelijkenissen en specifieke verschillen tussen
menselijke groepen.
Vraag 2: Welke onderzoeksmethode vereist dat een wetenschapper voor langere
tijd binnen een groep leeft om gewoonten van binnenuit te documenteren?
A) Etnologie
B) Antropometrie
C) Etnografie
D) Paleopathologie
Vraag 3: Hoe definiëren archeologen het begrip 'artefacten'?
A) Onverplaatsbare resten van monumentale gebouwen.
B) Verplaatsbare objecten die door mensen zijn gemaakt, aangepast of gebruikt.
C) Uitsluitend natuurlijke objecten die niet door mensen zijn aangeraakt.
D) De genetische resten van planten in een archeologische laag.
Vraag 4: Wat is het specifieke studieveld van de paleoantropologie?
A) De invloed van milieuvervuiling op moderne populaties.
B) De chemische samenstelling van antiek aardewerk.
C) De studie van fossiele resten van menselijke voorouders.
D) De grammaticale structuur van dode talen.
Vraag 5: Waarvoor wordt antropometrie in de moderne biologische antropologie
hoofdzakelijk gebruikt?
A) Om racistische hiërarchieën tussen bevolkingsgroepen op te stellen.
B) Het systematisch opmeten van het lichaam om groei- en gezondheidspatronen te
kwantificeren.
C) Het voorspellen van de toekomstige evolutie van de menselijke schedel.
D) Het bepalen van de spirituele status van een individu op basis van botlengte.
Vraag 6: Welk subveld onderzoekt ziektes en trauma's bij oude populaties via
botten en mummies?
A) Osteologie
B) Skeletbiologie
C) Paleopathologie
D) Biomedische antropologie
Vraag 7: Wat bestudeert de voedingsantropologie binnen het evolutionaire kader?
2
, A) De geschiedenis van kooktechnieken in de Middeleeuwen.
B) De co-evolutie tussen het menselijk dieet, de biologie en de cultuur.
C) De invloed van genetische modificatie op moderne gewassen.
D) De economische handel in voedsel tussen vroege beschavingen.
Vraag 8: Wat hield de inmiddels weerlegde theorie van het monogenisme in?
A) Verschillende menselijke rassen hebben een aparte evolutionaire oorsprong.
B) Cultuur is de belangrijkste factor die menselijke variatie verklaart
C) De mens is geëvolueerd uit meerdere soorten primaten tegelijkertijd.
D) Alle menselijke groepen stammen af van één enkel door God geschapen paar.
Vraag 9: Waarom wordt de historische praktijk van craniometrie tegenwoordig als
controversieel beschouwd?
A) Het werd vaak gebruikt om bevooroordeelde hiërarchieën en racisme te
rechtvaardigen.
B) Het was technisch onmogelijk om schedels nauwkeurig te meten.
C) Het onderzoek naar schedels is biologisch irrelevant voor de menselijke soort.
D) Het werd uitsluitend toegepast op dieren en nooit op mensen.
Vraag 10: Welke stap in de wetenschappelijke methode vormt de brug tussen een
observatie en het opstellen van een hypothese?
A) Falsificatie
B) Deductie
C) Experiment
D) Zelfcorrectie
Vraag 11: Wat was de kern van de 'Scopes Trial' in de jaren '20?
A) Een rechtszaak over het gebruik van craniometrie in het onderwijs.
B) De veroordeling van een leraar voor het onderwijzen van de evolutieleer.
C) Een debat over de authenticiteit van de vinken van Darwin.
D) De juridische strijd over het stemrecht van inheemse bevolkingsgroepen.
Vraag 12: Wat is het kernkenmerk van de 'Great Chain of Being'?
A) Een hiërarchisch model waarin alle wezens op een vaste, statische ladder staan.
B) Het is een dynamisch model waarin soorten constant veranderen.
C) Een theorie die stelt dat alle organismen horizontaal aan elkaar gelijk zijn.
D) Het idee dat de natuur uitsluitend uit onzichtbare krachten bestaat.
Vraag 13: Welke bijdrage leverde Andreas Vesalius aan de vroege biologie?
A) Hij ontwierp het systeem van de dubbele naamgeving.
B) Hij toonde via dissectie aan dat klassieke boeken over anatomie fouten bevatten.
C) Hij was de eerste die het proces van natuurlijke selectie beschreef.
D) Hij bewees dat de aarde miljoenen jaren oud was.
Vraag 14: Waarom wordt Johann Blumenbach de vader van de biologische
antropologie genoemd?
3