Vraag 1: Wat is volgens de tekst de noodzaak van geïntegreerde zorg bij ouderen?
A) Een holistische benadering in plaats van specifieke zorgpaden per individuele
aandoening.
B) Het verlagen van de medische kosten door zorgtaken volledig bij mantelzorgers te
leggen.
C) De focus leggen op uitsluitend fysieke klachten om de behandelduur te verkorten.
D) Het standaardiseren van behandelingen voor alle leeftijdsgroepen binnen de zorg.
Vraag 2: Op welk principe zijn biologische leeftijdstesten, zoals slimme
weegschalen, gebaseerd?
A) Het meten van de cognitieve prestaties in vergelijking met het opleidingsniveau.
B) De bepaling van de sociale rollen die een persoon vervult binnen de gemeenschap.
C) De vergelijking van de fysieke staat met wat gemiddeld verwacht wordt bij een
kalenderleeftijd.
D) Het tellen van het aantal kalenderjaren dat verstreken is sinds de geboorte.
Vraag 3: Wat is een frequent gevolg van het krimpen van het kaakgebeente bij
ouderen?
A) Een sterke toename van de productie van speekselenzymen.
B) Slecht passende kunstgebitten met negatieve gevolgen voor sociale interactie.
C) Een versnelde groei van de resterende natuurlijke tanden.
D) Het volledig verdwijnen van de smaakperceptie voor zoete stoffen.
Vraag 4: Welk voorbeeld beschrijft een niet-normatieve invloed op de levensloop
van een individu?
A) Het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
B) Het doormaken van een wereldwijde pandemie zoals COVID-19.
C) Het winnen van de lotto of het meemaken van een specifiek ongeval.
D) De maatschappelijke verwachting om op jonge leeftijd te trouwen.
Vraag 5: Welk fundamenteel uitgangspunt hanteert de 'developmental science' met
betrekking tot veroudering?
A) Ontwikkeling stopt zodra de volwassen leeftijd is bereikt.
B) Fundamentele ontwikkelingsprincipes blijven gedurende de gehele levensloop actief.
C) Veroudering wordt uitsluitend bepaald door biologische achteruitgang.
D) De omgeving heeft geen invloed op het natuurlijke proces van ouder worden.
Vraag 6: Wat is de kern van de theorie van Gesell over menselijke ontwikkeling?
A) De omgeving is de enige motor achter menselijke verandering.
B) Sociale interactie bepaalt de snelheid van biologische rijping.
C) Ontwikkeling is een toevallig proces zonder vaste volgorde.
D) Het maturatieproces ligt volledig biologisch vast en genen bepalen de groei.
Vraag 7: Wat beschrijft het principe van reciprociteit volgens Scarr en McCartney?
2
, A) De mens is een passief wezen dat enkel reageert op prikkels uit de omgeving.
B) Biologische erfelijkheid is de enige factor die het gedrag van een individu stuurt.
C) De persoon beïnvloedt de omgeving, terwijl die omgeving weer invloed heeft op de
persoon.
D) Sociale status op jonge leeftijd is de enige voorspeller voor succesvol ouder worden.
Vraag 8: Wat gebeurt er volgens de cross-linking theorie met weefsels door
blootstelling aan suikers?
A) Er ontstaan schadelijke verbindingen tussen collageenmoleculen waardoor weefsels
stugger worden.
B) Cellen verliezen hun vermogen om zich na een specifiek aantal delingen te
vermenigvuldigen.
C) Het DNA in de mitochondriën muteert sneller door een tekort aan glucose.
D) De aanmaak van vrije radicalen in de celkern wordt volledig gestopt.
Vraag 9: Wat is volgens de brontekst een effect van caloriebeperking bij
veroudering?
A) Het versnelt de vorming van rimpels door een tekort aan vetzuren.
B) Het wordt gezien als een effectieve manier om veroudering te vertragen.
C) Het verhoogt de kans op auto-immuunziekten op jonge leeftijd.
D) Het zorgt voor een snellere verkorting van de telomeren in de celkern.
Vraag 10: Wat is de essentie van de auto-immune theorie van veroudering?
A) Het immuunsysteem valt bij het ouder worden het eigen lichaam aan.
B) Het lichaam produceert te veel witte bloedcellen die de organen verstoppen.
C) Externe virussen worden op latere leeftijd effectiever bestreden door de thymus.
D) De huid wordt dikker om het lichaam te beschermen tegen externe bacteriën.
Vraag 11: Welke mutaties staan centraal in de 'error catastrophe' theorie van
veroudering?
A) Mutaties in het mitochondriaal DNA die leiden tot sneller uiterlijk verval.
B) Fouten in de aanmaak van melanine in de haarfollikels.
C) Veranderingen in de genen die de productie van insuline reguleren.
D) Mutaties in de chromosomen die de botdichtheid bepalen.
Vraag 12: Op welk aspect ligt de focus in Eriksons fase van 'Generativiteit vs.
Stagnatie'?
A) Het opbouwen van een stabiele identiteit tijdens de adolescentie.
B) De zorg voor de volgende generatie via ouderschap of maatschappelijke bijdragen.
C) Het maken van de balans van het leven en het bereiken van ego-integriteit.
D) Het aangaan van intieme relaties in de vroege volwassenheid.
Vraag 13: Wat wordt in de psychogerontologie verstaan onder 'faseregressie'?
A) De versnelde overgang naar een volgende ontwikkelingsfase door succes.
B) Het terugvallen in een eerdere ontwikkelingsfase door een ingrijpend trauma of
ziekte.
C) De onmogelijkheid om de crisis van een huidige levensfase op te lossen.
3
, D) De genetische aanleg om psychologische fasen volledig over te slaan.
Vraag 14: Wat stelt de 'inoculatie hypothese' met betrekking tot ageïsme?
A) Ouderen uit minderheidsgroepen zijn weerbaarder tegen ageïsme door eerdere
discriminatie-ervaringen.
B) Ageïsme verdwijnt naarmate men vaker in contact komt met andere culturen.
C) Discriminatie op basis van leeftijd is een direct gevolg van medische vooruitgang.
D) Mensen uit minderheidsgroepen ervaren ageïsme als een dubbele last.
Vraag 15: Welke rol vervult de 'sociale klok' binnen een cultuur?
A) Het bijhouden van de exacte biologische leeftijd van de bevolking.
B) Het reguleren van het circadiaans ritme van individuen binnen een samenleving.
C) Het meten van de tijd die een oudere nog kan leven in goede gezondheid.
D) Het aangeven van maatschappelijke verwachtingen over de timing van
levensgebeurtenissen.
Vraag 16: Wat zijn 'lentigo senilus' vlekken op de huid?
A) Gevaarlijke melanomen die direct operatief verwijderd moeten worden.
B) Ouderdomsvlekken op plekken die veel aan de zon zijn blootgesteld.
C) Ophopingen van overtollige talg in de diepere huidlagen.
D) Spataders die door een tekort aan collageen aan de oppervlakte komen.
Vraag 17: Wat is het gevolg van minder actieve talgklieren bij ouderen?
A) Een verhoogde zweetproductie om de lichaamstemperatuur te regelen.
B) Het ontstaan van angiomen door een samenbundeling van bloedvaten.
C) Een drogere huid die gevoeliger is voor irritaties en externe invloeden.
D) Een snellere groei van dikke haren op ongebruikelijke plaatsen.
Vraag 18: Wat is de fysiologische oorzaak van het schijnbaar groter worden van de
neus en oren bij ouderen?
A) De voortdurende groei of het uitzakken van kraakbeenweefsel.
B) Het krimpen van de omliggende schedelbeenderen door osteoporose.
C) Een extreme toename van de subcutane vetlaag in het gezicht.
D) Het verlies van melanine in de weefsels van de gelaatsuitdrukking.
Vraag 19: Welk proces ligt ten grondslag aan het grijs worden van het haar?
A) De afname of volledige stop van de productie van melanine.
B) De omzetting van dikke haren naar dun donshaar door androgenen.
C) Een tekort aan collageen in de haarfollikels van de hoofdhuid.
D) De toename van vrije radicalen in de haarschacht zelf.
Vraag 20: Welk specifiek verloop vertoont de Body Mass Index (BMI) bij de meeste
mensen gedurende het leven?
A) Een lineaire stijging vanaf de geboorte tot aan het overlijden.
B) Een constante daling die begint op de leeftijd van twintig jaar.
C) Een omgekeerde U-vorm met een daling op latere leeftijd.
4