Ontwikkelingspsychologie:
1
,Hoofdstuk 1:
1.1
Ontwikkelingspsychologie is de wetenschappelijke studie naar groei, verandering en stabiliteit
van conceptie tot adolescentie.
1.1.1 Binnen de ontwikkelingspsychologie zijn er vier thematische gebieden:
Fysieke ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op de fysieke opbouw van het lichaam,
zoals de hersenen, het zenuwstelsel, de spieren, de zintuigen en de behoefte aan eten, drinken
en slaap.
cognitieve ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op de manier waarop het gedrag van
mensen wordt beïnvloed door groei en verandering in de eigenschappen die de ene persoon
van de andere onderscheiden.
persoonlijkheidsontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op stabiliteit en verandering in
de eigenschappen die de ene persoon van de andere onderscheiden.
sociale ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op de manier waarop de interacties van
mensen met elkaar en hun sociale relaties in de loop van hun leven groeien, veranderen en
stabiel blijven.
1.1.2 Ieder mens behoort tot een specifiek cohort. Dit is een groep mensen die rond dezelfde
tijd op dezelfde plek is geboren. Mensen die bij een bepaalde cohort horen zijn onderhevig aan
bepaalde normatieve gebeurtenissen. Dat zijn gebeurtenissen die zich voor de meeste
individuen binnen een groep op dezelfde manier voltrekken.
Het begrip ras geeft problemen, eerst verwees het naar biologische factoren, maar in de loop
van der tijd heeft het een heleboel andere betekenissen gekregen, die bijvoorbeeld verwijzen
naar huidskleur, religie of cultuur.
Etnische groep en etniciteit zijn bredere termen, zij verwijzen naar culturele achtergrond,
nationaliteit, religie en taal. Leden van etnische groepen hebben een gezamenlijke culturele
achtergrond en groepshistorie.
1.2.3 Een van de belangrijkste kwesties binnen de ontwikkelingspsychologie is de vraag of
ontwikkeling zich een continue of een discontinue verandering voltrekt. Bij continue verandering
is de ontwikkeling geleidelijk en vloeien de prestaties op een bepaald niveau voort uit die van de
vorige niveaus. Dit is kwantitatief, de onderliggende ontwikkelingsprocessen die de aanzet
geven tot verandering blijven gedurende het hele leven hetzelfde. Discontinue verandering vindt
plaats in aparte stappen of stadia. Elk stadium levert gedrag op dat kwalitatief anders is dan
gedrag in eerdere stadia. Zulke stadia zijn onder meer de kleutertijd, de kindertijd en de
adolescentie. Vanuit dit standpunt gezien, kan een ontwikkeling heel abrupt of discontinue
verlopen.
2
,Je hebt twee soorten periode:
Kritieke periode: een specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde gebeurtenis de
grootste gevolgen heeft.
Gevoelige periode: een afgebakende periode, meestal vroeg in het leven van een organisme
waarin dat organisme extra gevoelig is voor de omgevingsinvloeden die betrekking hebben op
een bepaald facet van de ontwikkeling.
Plasticiteit is de mate waarin een ontwikkelingsgedrag of fysieke structuur kan worden
gewijzigd. Het is ook de mate waarin zich ontwikkelende structuren of gedragspatronen te
veranderen zijn als gevolg van ervaringen.
Maturatie is het proces van geleidelijk ontvouwen van voorbestemde genetische informatie.
3
, Hoofdstuk 2:
2.1 Theorie: verklaring of voorspelling ten aanzien van een verschijnsel, die een raamwerk biedt
om de relaties tussen een reeks feiten of principes te begrijpen.
2.1.1 Voorstanders van het psychodynamische perspectief geloven dat gedrag gemotiveerd
wordt door innerlijke krachten, herinneringen en conflicten waarvan een persoon zich nauwelijks
bewust is en waarover hij weinig controle heeft. Het psychodynamische perspectief is nauw
gekoppeld aan Sigmund Freud en zijn psychoanalytische theorie. Deze theorie gaat ervan uit
dat onbewuste krachten bepalend zijn voor iemands persoonlijkheid en gedrag. Volgens Freud
heeft elke persoonlijkheid drie aspecten:
Id: het primitieve ongeorganiseerde, aangeboren deel van de persoonlijkheid, dat aanwezig is
bij de geboorte.
Ego: Het rationale en redelijke deel van de persoonlijkheid.
Superego: het aspect van de persoonlijkheid dat iemands geweten vertegenwoordigt en het
onderscheid belichaamt tussen goed en kwaad.
Freud ontwikkelde ook een theorie over de manier waarop die persoonlijkheid zich tijdens de
kindertijd vormt. Volgens hem voltrekt de psychoseksuele ontwikkeling zich doordat kinderen
een aantal fasen doorlopen waarin genot, of bevrediging, steeds gericht is op een andere
biologische functie en een ander deel van het lichaam. Als kinderen niet in staat zijn zichzelf in
een bepaalde fase voldoende te bevredigen of als ze te veel worden bevredigd, kan dat volgens
Freud tot fixatie leiden. Fixatie is het gedrag dat in een eerdere ontwikkelingsfase is blijven
steken als gevolg van een onopgelost conflict.
De psychoanalyticus Erik Erikson ontwikkelde een alternatieve psychodynamische visie met zijn
theorie over psychosociale ontwikkeling. Dit is een benadering van ontwikkeling die de
veranderingen omvat in de manier waarop we aankijken tegen onze interacties met anderen,
tegen het gedrag van anderen en tegen onszelf als leden van de maatschappij.
Geboorte tot 12-18 maanden Orale fase Vertrouwen versus wantrouwen
12 – 18 maanden tot 3 jaar Anale fase Autonomie versus schaamte en twijfel
3 tot 5/6 jaar Fallische fase Initiatief versus schuld
5/6 jaar tot adolescentie Latentie fase ijver versus minderwaardigheid
Adolescentie Genitale fase Identiteit versus identiteitsverwarring
Eerste volwassenheid Intimiteit versus isolement
Volwassenheid Generativiteit versus stagnatie
Rijpheid Ego-integriteit versus wanhoop
2.1.2 Het behavioristische perspectief kijkt niet binnen het organisme naar onbewuste
processen. Behavioristen bestuderen de mens volledig van buitenaf, met de nadruk op direct
waarneembare feiten: de effecten van mensen, voorwerpen en gebeurtenissen op gedrag. Het
cognitief perspectief richt zich op de processen die mensen in staat stellen de wereld te leren
kennen, te begrijpen en erover na te denken.
4
1
,Hoofdstuk 1:
1.1
Ontwikkelingspsychologie is de wetenschappelijke studie naar groei, verandering en stabiliteit
van conceptie tot adolescentie.
1.1.1 Binnen de ontwikkelingspsychologie zijn er vier thematische gebieden:
Fysieke ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op de fysieke opbouw van het lichaam,
zoals de hersenen, het zenuwstelsel, de spieren, de zintuigen en de behoefte aan eten, drinken
en slaap.
cognitieve ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op de manier waarop het gedrag van
mensen wordt beïnvloed door groei en verandering in de eigenschappen die de ene persoon
van de andere onderscheiden.
persoonlijkheidsontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op stabiliteit en verandering in
de eigenschappen die de ene persoon van de andere onderscheiden.
sociale ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op de manier waarop de interacties van
mensen met elkaar en hun sociale relaties in de loop van hun leven groeien, veranderen en
stabiel blijven.
1.1.2 Ieder mens behoort tot een specifiek cohort. Dit is een groep mensen die rond dezelfde
tijd op dezelfde plek is geboren. Mensen die bij een bepaalde cohort horen zijn onderhevig aan
bepaalde normatieve gebeurtenissen. Dat zijn gebeurtenissen die zich voor de meeste
individuen binnen een groep op dezelfde manier voltrekken.
Het begrip ras geeft problemen, eerst verwees het naar biologische factoren, maar in de loop
van der tijd heeft het een heleboel andere betekenissen gekregen, die bijvoorbeeld verwijzen
naar huidskleur, religie of cultuur.
Etnische groep en etniciteit zijn bredere termen, zij verwijzen naar culturele achtergrond,
nationaliteit, religie en taal. Leden van etnische groepen hebben een gezamenlijke culturele
achtergrond en groepshistorie.
1.2.3 Een van de belangrijkste kwesties binnen de ontwikkelingspsychologie is de vraag of
ontwikkeling zich een continue of een discontinue verandering voltrekt. Bij continue verandering
is de ontwikkeling geleidelijk en vloeien de prestaties op een bepaald niveau voort uit die van de
vorige niveaus. Dit is kwantitatief, de onderliggende ontwikkelingsprocessen die de aanzet
geven tot verandering blijven gedurende het hele leven hetzelfde. Discontinue verandering vindt
plaats in aparte stappen of stadia. Elk stadium levert gedrag op dat kwalitatief anders is dan
gedrag in eerdere stadia. Zulke stadia zijn onder meer de kleutertijd, de kindertijd en de
adolescentie. Vanuit dit standpunt gezien, kan een ontwikkeling heel abrupt of discontinue
verlopen.
2
,Je hebt twee soorten periode:
Kritieke periode: een specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde gebeurtenis de
grootste gevolgen heeft.
Gevoelige periode: een afgebakende periode, meestal vroeg in het leven van een organisme
waarin dat organisme extra gevoelig is voor de omgevingsinvloeden die betrekking hebben op
een bepaald facet van de ontwikkeling.
Plasticiteit is de mate waarin een ontwikkelingsgedrag of fysieke structuur kan worden
gewijzigd. Het is ook de mate waarin zich ontwikkelende structuren of gedragspatronen te
veranderen zijn als gevolg van ervaringen.
Maturatie is het proces van geleidelijk ontvouwen van voorbestemde genetische informatie.
3
, Hoofdstuk 2:
2.1 Theorie: verklaring of voorspelling ten aanzien van een verschijnsel, die een raamwerk biedt
om de relaties tussen een reeks feiten of principes te begrijpen.
2.1.1 Voorstanders van het psychodynamische perspectief geloven dat gedrag gemotiveerd
wordt door innerlijke krachten, herinneringen en conflicten waarvan een persoon zich nauwelijks
bewust is en waarover hij weinig controle heeft. Het psychodynamische perspectief is nauw
gekoppeld aan Sigmund Freud en zijn psychoanalytische theorie. Deze theorie gaat ervan uit
dat onbewuste krachten bepalend zijn voor iemands persoonlijkheid en gedrag. Volgens Freud
heeft elke persoonlijkheid drie aspecten:
Id: het primitieve ongeorganiseerde, aangeboren deel van de persoonlijkheid, dat aanwezig is
bij de geboorte.
Ego: Het rationale en redelijke deel van de persoonlijkheid.
Superego: het aspect van de persoonlijkheid dat iemands geweten vertegenwoordigt en het
onderscheid belichaamt tussen goed en kwaad.
Freud ontwikkelde ook een theorie over de manier waarop die persoonlijkheid zich tijdens de
kindertijd vormt. Volgens hem voltrekt de psychoseksuele ontwikkeling zich doordat kinderen
een aantal fasen doorlopen waarin genot, of bevrediging, steeds gericht is op een andere
biologische functie en een ander deel van het lichaam. Als kinderen niet in staat zijn zichzelf in
een bepaalde fase voldoende te bevredigen of als ze te veel worden bevredigd, kan dat volgens
Freud tot fixatie leiden. Fixatie is het gedrag dat in een eerdere ontwikkelingsfase is blijven
steken als gevolg van een onopgelost conflict.
De psychoanalyticus Erik Erikson ontwikkelde een alternatieve psychodynamische visie met zijn
theorie over psychosociale ontwikkeling. Dit is een benadering van ontwikkeling die de
veranderingen omvat in de manier waarop we aankijken tegen onze interacties met anderen,
tegen het gedrag van anderen en tegen onszelf als leden van de maatschappij.
Geboorte tot 12-18 maanden Orale fase Vertrouwen versus wantrouwen
12 – 18 maanden tot 3 jaar Anale fase Autonomie versus schaamte en twijfel
3 tot 5/6 jaar Fallische fase Initiatief versus schuld
5/6 jaar tot adolescentie Latentie fase ijver versus minderwaardigheid
Adolescentie Genitale fase Identiteit versus identiteitsverwarring
Eerste volwassenheid Intimiteit versus isolement
Volwassenheid Generativiteit versus stagnatie
Rijpheid Ego-integriteit versus wanhoop
2.1.2 Het behavioristische perspectief kijkt niet binnen het organisme naar onbewuste
processen. Behavioristen bestuderen de mens volledig van buitenaf, met de nadruk op direct
waarneembare feiten: de effecten van mensen, voorwerpen en gebeurtenissen op gedrag. Het
cognitief perspectief richt zich op de processen die mensen in staat stellen de wereld te leren
kennen, te begrijpen en erover na te denken.
4