Master Klinische Psychologie
PM1012-232714M
E-mental health-interventies
Totaal aantal vragen: 325
Deel 1: alle vragen op volgorde
Inhoudsopgave
Deel 1 — Alle examen niveau vragen......................................................................................................................2
Begripvragen.......................................................................................................................................................2
Tentamenvragen · Thema 1 — Mental Health Interventies...............................................................................2
Tentamenvragen · Thema 1 — Integratievragen................................................................................................5
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie.................................................................7
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Interventiemechanismen.......................8
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Evidence & Effectiviteit.......................9
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Klinisch Redeneren & Complexiteit. .10
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Implementatie & Toepassing..............10
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Innovatie & E-health..........................11
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Statistiek & Interpretatie....................11
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Terugval & Lange Termijn.................12
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Integratievragen..................................12
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie...............................................................13
Tentamenvragen · Thema 3 — Meerkeuzevragen...........................................................................................14
Tentamenvragen · Thema 3 — Integratievragen..............................................................................................17
Examenniveau vragen per tekst........................................................................................................................20
Vragen per leerdoel...........................................................................................................................................41
Intergratievragen...............................................................................................................................................48
Deel 2 — Antwoorden en toelichting.....................................................................................................................50
Tentamenvragen · Thema 1 — Mental Health Interventies.............................................................................50
Tentamenvragen · Thema 1 — Integratievragen (Mental Health Interventies)...............................................50
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie...............................................................51
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Interventiemechanismen.....................51
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Evidence & Effectiviteit.....................51
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Klinisch Redeneren & Complexiteit. .52
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Implementatie & Toepassing..............52
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Innovatie & E-health..........................52
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Statistiek & Interpretatie....................52
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Terugval & Lange Termijn.................52
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Integratievragen (hoogste niveau)......52
Tentamenvragen · Thema 2 — Methodologie & Causale Inferentie · Laatste 10 (tentamen-niveau killer)....53
Tentamenvragen · Thema 3 — Meerkeuzevragen (Hoog Master Niveau)......................................................53
Tentamenvragen · Thema 3 — Integratievragen..............................................................................................54
Deel 2: antwoorden en toelichting per vraag
1
,Deel 1 — Alle examen niveau vragen
Begripvragen
Tentamenvragen · Thema 1 — Mental Health Interventies
1. Een interventie toont effectiviteit in een RCT, maar niet in de klinische praktijk. Wat is de meest
waarschijnlijke verklaring?
A. Lage interne validiteit van de RCT
B. Gebrek aan statistische power
C. Beperkte externe validiteit en contextverschillen
D. Onjuiste randomisatie
2. Welke situatie illustreert het best een schending van evidence-based practice?
A. Gebruik van CGT bij depressie
B. Combineren van klinische expertise en patiëntvoorkeur
C. Blind volgen van een protocol ondanks patiëntkenmerken
D. Gebruik van meta-analyses
3. Een meta-analyse toont kleine effectgroottes met hoge heterogeniteit (I² = 75%). Wat betekent dit?
A. Resultaten zijn niet significant
B. Studies zijn homogeen
C. Grote variatie tussen studies beperkt interpretatie
D. Effect is klinisch irrelevant
4. Wat is de sterkste aanwijzing voor een causale relatie tussen interventie en uitkomst?
A. Correlatie in cross-sectioneel onderzoek
B. Cohortstudie
C. Randomized controlled trial met follow-up
D. Case study
5. Waarom zijn transdiagnostische interventies theoretisch aantrekkelijk?
A. Ze negeren individuele verschillen
B. Ze richten zich op gedeelde onderliggende mechanismen
C. Ze zijn goedkoper
D. Ze vereisen geen diagnose
6. Welke factor vormt de grootste bedreiging voor interne validiteit in interventieonderzoek?
A. Kleine steekproef
B. Confounding variabelen
C. Publicatiebias
D. Lage generaliseerbaarheid
7. Een patiënt met comorbide angst en depressie reageert niet op CGT. Wat is de meest rationele volgende stap
volgens stepped care?
A. Stoppen met behandeling
B. Intensiveren of aanpassen van interventie
C. Alleen medicatie starten
D. Diagnose herzien en niets doen
8. Wat is een cruciaal verschil tussen effectiviteit- en effectiviteitsstudies (efficacy vs. effectiveness)?
A. Statistische analyse
B. Setting (gecontroleerd vs. real-world)
C. Gebruik van controlegroepen
D. Meetinstrumenten
9. Welke bias speelt vooral een rol bij studies met alleen gepubliceerde significante resultaten?
2
, A. Recall bias
B. Selectiebias
C. Publicatiebias
D. Attrition bias
10. Waarom is de therapeutische alliantie een robuuste predictor van uitkomst?
A. Het beïnvloedt alleen therapietrouw
B. Het werkt als een gemeenschappelijke factor over therapieën
C. Het vervangt technieken
D. Het is alleen relevant bij CGT
11. Wat is een belangrijk kritiekpunt op DSM-classificaties binnen interventieonderzoek?
A. Te weinig diagnostische categorieën
B. Gebrek aan betrouwbaarheid
C. Heterogeniteit binnen diagnoses
D. Te biologisch georiënteerd
12. Welke situatie illustreert indicatieve preventie het best?
A. Schoolprogramma's voor alle leerlingen
B. Interventie bij mensen met subklinische symptomen
C. Behandeling van gediagnosticeerde depressie
D. Nazorg na herstel
13. Wat is de belangrijkste functie van mediatoren in interventieonderzoek?
A. Ze voorspellen uitkomst
B. Ze verklaren hoe een interventie werkt
C. Ze verhogen statistische power
D. Ze vervangen afhankelijke variabelen
14. Welke factor kan modereren hoe effectief een interventie is?
A. Meetfout
B. Leeftijd van patiënt
C. Steekproefgrootte
D. Randomisatie
15. Waarom kan hoge therapietrouw paradoxaal samenhangen met slechtere uitkomsten in sommige studies?
A. Meetfouten
B. Ernstigere patiënten blijven langer in behandeling
C. Therapeuten maken fouten
D. Randomisatie faalt
16. Wat is een kernmechanisme van exposuretherapie?
A. Cognitieve herstructurering
B. Habituatie en extinctie van angstrespons
C. Emotieregulatie
D. Neurotransmitterverandering
17. Waarom is follow-up essentieel in interventieonderzoek?
A. Voor grotere steekproeven
B. Voor meten van duurzaamheid van effecten
C. Voor randomisatie
D. Voor diagnostiek
18. Wat is een belangrijk risico van e-health interventies?
A. Te hoge effectiviteit
B. Drop-out en lage betrokkenheid
C. Overdiagnostiek
3
, D. Gebrek aan schaalbaarheid
19. Welke factor verklaart het succes van herstelgerichte zorg het best?
A. Symptoomreductie
B. Focus op autonomie en betekenis
C. Medicatiegebruik
D. Diagnostiek
20. Wat is een belangrijk kenmerk van een pragmatische trial?
A. Strikte inclusiecriteria
B. Realistische klinische setting
C. Kleine steekproef
D. Geen randomisatie
21. Wat betekent een Number Needed to Treat (NNT) van 5?
A. 5 patiënten genezen spontaan
B. 1 op de 5 profiteert van behandeling
C. 5% effectgrootte
D. 5 patiënten vallen uit
22. Welke factor draagt het meest bij aan implementatiefalen?
A. Gebrek aan evidence
B. Weerstand van professionals
C. Te veel patiënten
D. Hoge kosten
23. Wat is een belangrijk verschil tussen correlatie en causaliteit?
A. Correlatie is sterker
B. Causaliteit vereist manipulatie en controle
C. Correlatie gebruikt geen data
D. Causaliteit is subjectief
24. Waarom is culturele adaptatie van interventies belangrijk?
A. Voor lagere kosten
B. Voor betere acceptatie en effectiviteit
C. Voor snellere behandeling
D. Voor standaardisatie
25. Welke statistische maat geeft de grootte van een effect weer?
A. p-waarde
B. Effectgrootte (Cohen's d)
C. Betrouwbaarheidsinterval
D. I²
26. Wat is een kenmerk van blended care dat effectiviteit kan verhogen?
A. Minder contact
B. Flexibiliteit en personalisatie
C. Alleen digitale modules
D. Minder therapietrouw
27. Waarom is comorbiditeit problematisch voor behandelprotocollen?
A. Te weinig patiënten
B. Protocollen zijn vaak stoornisspecifiek
C. Geen effect op uitkomst
D. Alleen relevant voor medicatie
28. Wat is het grootste voordeel van longitudinaal onderzoek?
4